Historicus Greg Grandin: 'Gek genoeg heeft Trump nu meer succes in Latijns-Amerika dan in de VS'
In dit artikel:
Historicus Greg Grandin laat in America, América: A New History of the New World zien hoe de geschiedenis en politiek van Noord- en Latijns-Amerika eeuwenlang met elkaar verstrengeld zijn — en hoe die verwevenheid zowel de bouwstenen leverde voor de naoorlogse liberale wereldorde als nu een rol speelt in diezelfde orde’s ontbinding. Grandin, hoogleraar en veelgeprezen auteur, legt uit dat Latijns-Amerikaanse ideeën over soevereiniteit, respect voor grenzen en vreedzame geschilbeslechting vanaf het begin een tegenreactie waren op de brute praktijken van de Spaanse Conquista. Die intellectuele traditie, aldus Grandin, voedde vanaf de negentiende eeuw een regionale praktijk van onderlinge erkenning en samenwerking die later leidde tot inspiratie voor instellingen als de Verenigde Naties en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.
Centrale stelling: de Verenigde Staten werden in de jaren dertig en veertig mede door Latijns-Amerikaanse invloeden gedwongen hun beleid radicaal te herzien. Onder invloed van de crisis van de jaren dertig en het fascisme kozen figuren als Franklin D. Roosevelt, Sumner Welles en Henry Wallace voor een koers van vertrouwen en samenwerking richting het zuiden, in plaats van interventie en expansie zoals de Monroe-doctrine had voorgeschreven. Tijdens en direct na de Tweede Wereldoorlog diende Latijns-Amerika Grandin zufolge als voorbeeld voor de coöperatieve wereldorde die Roosevelt voor ogen had.
Die periode van wederzijds leren keerde echter na 1945 om. De Koude Oorlog maakte dat de VS veiligheid en stabiliteit boven democratische ontwikkeling stelden. Militair materieel en geheime operaties — met name de CIA-steun aan coups zoals die in Guatemala (1954) — werden ingezet om linkse bewegingen neer te slaan. Formeel bleef Washington multilateralistische taal spreken, maar Grandin betoogt dat het internationale recht en procedures vaak fungeerden als dekmantel voor een feitelijk unilateraal optreden.
In actuele termen waarschuwt Grandin dat die oude spanningen en omkeringen zich nu opnieuw manifesteren, maar dan in een nog radicalere gedaante. De regering-Trump, zijn adviseurs en gelijkgestemde leiders in Latijns-Amerika (zoals Javier Milei en Nayib Bukele) omarmen een hernieuwde variant van machtspolitiek en nationalistische agressie. Grandin interpreteert Trumps nationale veiligheidsstrategie als expliciete breuk met het liberale internationalisme en als terugkeer naar principes die de Monroe-doctrine benaderen: het idee dat grootmachten vrij zijn om in hun “achtertuin” te bepalen wat gebeurt. Volgens Grandin maakt dat zowel Noord- als Zuid-Amerika kwetsbaar voor wederzijdse afglijding: rechtse leiders in Latijns-Amerika imiteren Amerikaanse cultuurstrijdthema’s en vormen zo een transnationaal rechts front.
Grandin koppelt die politieke kanteling ook aan economische trends. Waar critici vroeger waarschuwden voor de “Latin-Americanization” van de VS als verwijt richting ongelijkheid en democratische uitholling, ziet hij nu een omgekeerde beweging: de Verenigde Staten vertonen kenmerken van het door concentratie van rijkdom en corporate power gekenmerkte Latijns-Amerikaanse model. Tegelijkertijd winnen autoritaire en populistische projecten in veel Latijns-Amerikaanse landen aan slagkracht doordat zij Amerikaanse retoriek en strategieën kopiëren.
Toch ziet Grandin niet alleen somberheid. Hij wijst op een levende progressieve traditie in Latijns-Amerika die nationalisme op een andere manier gebruikte: als opstap naar universalisme en internationale samenwerking, niet als tribale afscheiding. Leiders als Lula, Petro en anderen representeren die lijn, en sommige beleidskeuzes — afwijzing van onbeperkt marktfundamentalisme, de nadruk op sociale rechtvaardigheid — blijven gewicht in de schaal leggen. Maar die traditie staat onder zware druk door de opkomst van nieuw rechts nationalisme, import van culture wars en politieke instrumentalisering van geweld.
Grandins analyse bevat tevens een persoonlijke en academische context: hij is opgegroeid in Brooklyn, promoveerde op een nieuwe geschiedenis van Guatemala, werkt aan Yale en won eerder een Pulitzer-prijs. Zijn benadering legt telkens de nadruk op hoe ideeën en ideologieën concrete geopolitieke uitkomsten sturen — van Roosevelt en Wallace tot Kissinger en de hedendaagse Trump-coalitie.
Kort samengevat: Grandin schildert een lange geschiedenis van Amerika’s twee continenten als wederzijdse leerschool: Latijns-Amerika bracht belangrijke concepten van soevereiniteit en non-interventie voort die na 1945 centrumplaatsen van het internationale recht en multilateralisme zouden worden. Die erfenis werd echter systematisch uitgehold door Koude-Oorlogspolitiek en later door neoliberale en nativistische tendensen. Vandaag ziet hij een zorgwekkende convergentie waarin rechtse, populistische leiders in Noord- en Zuid-Amerika elkaar versterken en mondiale instituties verder uithollen — maar de mogelijkheid van een hernieuwd, multipolair en samenwerkend internationaal bestel blijft een zwakke hoop, aldus Grandin.