Hildur Guðnadóttir, cellist en (film)componist, brengt een ode aan sterke vrouwen
In dit artikel:
Hildur Guðnadóttir, de IJslandse celliste en (film)componiste die dit jaar als associate artist verbonden is aan het Holland Festival, bouwde vanuit Berlijn in twintig jaar een onconventionele maar invloedrijke carrière op. Haar doorbraak kwam in 2019: de score voor Joker leverde haar een Oscar op, eerder had haar werk voor de tv-serie Chernobyl al Emmy, Grammy en BAFTA gebracht. Voor de festivaleditie van 2026 koos ze ‘empathie’ als leidmotief — een tegenwicht tegen het lawaai en de agressieve informatiestroom van vandaag.
Hildurs signatuur is herkenbaar sober en spaarzaam: muziek klinkt vooral op cruciale momenten en werkt eerder therapeutisch en psychologisch dan decoratief. Centraal staat altijd de cello, maar niet in de warme, romantische traditie; Hildur gebruikt een speciaal gebouwde elektrische cello, Ómar, die zowel akoestisch als elektronisch bewerkt kan worden. Het resultaat is vaak een ijzige, metalen klankkleur en langzame, contemplatieve lijnen die desolaatie, dreiging of innerlijke ontreddering verbeelden — denk aan de kille drone voor Chernobyl of het tragische leidmotief in Joker dat het afglijden van de hoofdpersoon muzikaal markeert.
Haar werkwijze wijkt af van de gangbare praktijk: Hildur probeert zo vroeg mogelijk met componeren te beginnen, idealiter zodra het script klaar is, zodat de muziek al tijdens de opnames op de set aanwezig is. Ze ziet muziek als instrument om sfeer, ritme en tijdsgevoel te bepalen en om acteurs te beïnvloeden; later moet ze die partituren nog precies afstemmen op de gemonteerde film. Voor Chernobyl ging ze letterlijk het veld in: ze maakte opnames in een ontmantelde centrale in Litouwen en bewerkte die geluiden tot muzikale texturen die het emotionele geheugen van de ramp oproepen.
Privé is Hildur geworteld in een muzikale familie: haar moeder was operazangeres, haar vader klarinettist. Ze groeide op tussen instrumenten, koos op jonge leeftijd voor de cello en noemt Jacqueline du Pré als voorbeeld vanwege haar rauwe emotie en vrijheid. Die klassieke basis gebruikt ze technisch, maar ze verzet zich tegen strikte regels: muziek moet ruimte laten voor persoonlijke expressie en innerlijke verbinding. Zoals zij zegt: “Ik begin de dag met cello studeren en zingen.” Muziek is voor haar lichamelijk en direct — een middel om bewustzijn en gemoedstoestand te beïnvloeden.
Haar artistieke kring is intiem en familiair: haar man Sam Slater produceert haar werk, haar vader speelt vaak klarinet in haar scores, en zij werkte lang met vriend en mentor Jóhann Jóhannsson totdat hij overleed in 2018. Die hechte samenwerking past bij haar voorkeur voor kleinschalige, organische processen — al verandert dat nu ze weer meer optreedt en samen met dirigent Robert Ames en andere collega’s in grotere producties werkt. Haar recente album Where to From is voortgekomen uit een audio-dagboek van ingesproken melodies en weerspiegelt dezelfde sobere, langzaam bewegende klankwereld; Ames sprak van ‘Hildur-tijd’, een tempo waarin ze zich ook met een orkest niet laat opjagen.
Het Holland Festival-programma dat zij helpt vormgeven onderstreept onderwerpen die haar na aan het hart liggen: verstilling, vrouwelijke stemmen in de muziek en het belang van luisteren. Ze brengt een hommage aan drie Amerikaanse pioniers — Pauline Oliveros, Meredith Monk en Laurie Anderson — en programmeert uitvoeringen van haar eigen partituur (onder meer live bij de vertoning van Chernobyl) en werk met orkest en koperblazers. Ook thema’s rondom vrouwelijke makers komen terug, niet als pamflet maar vanuit nieuwsgierigheid en waardering: Hildur vindt het vanzelfsprekend dat vrouwen evenveel verhalen vertellen mogen als mannen en wil graag meer horen van wat zij componeren en experimenteren.
Wat haar persoonlijke leven betreft nam Hildur jarenlang afstand van touren om er te zijn voor haar zoontje; nu hij dertien is, treedt ze opnieuw sterker naar buiten. Recent hervatte ze publieke optredens (onder andere in de Berlijnse Volksbühne) en staat ze in juni centraal op twee festivals tegelijk: het Holland Festival en het Reykjavík Arts Festival. Ze werkt verder aan nieuwe theatrale projecten, onder meer aan een theaterversie van Ingmar Bergmans Persona, een film die draait om stilte en zwijgen — thema’s waar zij als componiste over nadenkt: welke rol heeft muziek binnen stilte en wanneer kun je die stilte juist laten bestaan?
Hildurs uitstraling is opvallend tegenstrijdig: ze is levendig en humoristisch in persoonlijk contact, terwijl haar muziek vaak als donker en intens wordt ervaren. Ze verklaart dat dat contrast deels cultureel is — IJsland leeft met scherpe schommelingen tussen licht en duisternis — en deels artistiek: via haar werk kan ze de “donkere kant” onderzoeken zonder dat dat haar omgangsvormen beïnvloedt. Muziek is voor haar een manier om die schaduwkanten bloot te leggen en te verwerken.
Kortom: Hildur Guðnadóttir is een componiste die stilte en empathie inzet als artistieke strategieën, die met een eigen instrumentale taal en een onconventionele werkmethode film en podiumwerk vormgeeft, en die in haar rol bij het Holland Festival zowel eigen composities als het geluid van vrouwelijke voorlopers in de schijnwerpers plaatst. Haar terugkeer naar het podium en haar brede festivalbetrokkenheid markeren een nieuwe fase waarin ze persoonlijke en maatschappelijke vragen — over stilte, gender en de rol van muziek in een lawaaierige wereld — muzikaal onderzoekt.