Het werk van Willem de Kooning heeft geen heldere betekenis, maar hangt samen door ritme en klank
In dit artikel:
De tentoonstelling *Willem de Kooning at Work* in het Rijksmuseum Amsterdam laat zien dat de schilderijen van Willem de Kooning (1904-1997) minder spontaan tot stand kwamen dan ze lijken. Achter de energieke verfstreken schuilt een langdurig proces van overbrengen, kopiëren, corrigeren, uitwissen en opnieuw testen.
De Kooning werd geboren in Rotterdam, volgde daar een klassieke kunstopleiding en vertrok als twintiger illegaal naar New York. Daar groeide hij uit tot een van de belangrijkste schilders van de twintigste eeuw. Hij voelde zich geen Amerikaan, maar wel een New Yorker, en bleef zijn hele leven openstaan voor invloeden en gesprekken met andere kunstenaars. Picasso, Matisse en Cézanne leerden hem het beeldvlak platter en intenser te maken. Tegelijk bleef hij gefascineerd door de kronkelende, lichamelijke figuren uit de Renaissance.
Die verbinding wordt in het Rijksmuseum symbolisch gelegd met een kopie van de Laocoöngroep, die bezoekers op weg naar de tentoonstelling passeren. De kronkelende lichamen en slangen van dit antieke beeld beïnvloedden de figura serpentinata van de late Renaissance en echoën ook in De Koonings werk. Hoewel hij tot het abstract expressionisme wordt gerekend, bleef zijn schilderkunst daarom vaak figuratief. Zijn belangrijkste spanning ligt volgens de recensie niet simpelweg tussen abstractie en figuratie, maar tussen het platte moderne doek en de volle, sculpturale lichamen van vroegere kunst.
De tentoonstelling richt zich nadrukkelijk op zijn werkwijze en materialen. Transparante vellen tonen hoe De Kooning lijnen en vormen van het ene doek naar het andere overbracht. Motieven keren telkens terug, soms gedraaid of vervormd. In *Pink Angels* is bijvoorbeeld een echo van Titiaans *Diana en Actaeon* te herkennen. De fragmenten roepen steeds herkenning op, maar vormen zelden een volledige voorstelling. Vooral het zwarte *Untitled*, met uiteenlopende witte streken, maakt duidelijk hoe suggesties van diepte en perspectief bijeen worden gehouden op het vlakke doek.
De recensie betwijfelt daarom of de term ‘action painting’ De Koonings methode volledig recht doet. Zijn werken registreren niet noodzakelijk een spontaan gebaar: sommige lijnen zijn jarenlang voorbereid en opnieuw overgetrokken voordat ze op het uiteindelijke doek verschenen. De spontaniteit is volgens de auteur eerder ambachtelijk opgebouwd dan een directe afdruk van lichamelijke actie. Ritme, herhaling en klank verbinden de losse beeldfragmenten sterker dan een duidelijke betekenis.
Later veranderde De Koonings werk onder invloed van landschappen, schelpenrapers en schaduwen op het water. Zijn lijnen werden trillender en zijn kleuren natuurlijker. In de jaren tachtig ontstond een eenvoudiger en vrolijker stijl, met heldere, dikke lijnen en enkele, vaak primaire kleuren tegen een witte achtergrond. Ook daar bleef hij corrigeren, maar hij wist zijn sporen beter uit. Na tientallen jaren oefenen lijken de lijnen in dit late werk rustig en speels te worden.
De bekende vrouwenreeksen uit de jaren vijftig blijven dubbelzinnig. De terugkeer naar figuratie en de gewelddadige, seksueel geladen voorstelling van vrouwen riepen destijds veel weerstand op. De auteur ervaart deze schilderijen vooral als een gesprek met Picasso, maar vindt dat gesprek minder overtuigend. Een latere *Woman* toont daarentegen een kalmere en lichtere figuratie: enkele zwarte lijnen en stippen zijn genoeg om een menselijk gezicht op te roepen. De tentoonstelling maakt zo zichtbaar hoe De Kooning uiteindelijk niet alleen speelde met herkenbare vormen, maar ook met het wonder dat dingen soms zonder vaste reden op elkaar lijken.
Vandaag Inside: Bas Nijhuis is Valentijn Driessen spuugzat: ‘Ik heb zelfs een doosje paracetamol meegenomen’