Het Vaticaan stelt wezenlijke vragen over AI die in het politieke debat vaak afwezig blijven

vrijdag, 29 mei 2026 (00:00) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Paus Leo XIV publiceerde op 29 mei 2026 de encycliek Magnifica Humanitas, een moreel betoog over de koers van kunstmatige intelligentie dat voorbij technische en juridische details reikt en de fundamentele vraag stelt naar het doel van technologische ontwikkeling. Centraal staan twee Bijbelse beelden — de toren van Babel als metafoor voor een éénzijdig, hoogmoedig technologisch project zonder gemeenschappelijk kompas, tegenover het herbouwen van Jeruzalem na de ballingschap als beeld voor gedecentraliseerde, gemeenschapsgerichte wederopbouw — waarmee de paus twee tegengestelde toekomstpaden schetst.

De tekst wil geen directe wetgeving afdwingen, maar mikt op een verschuiving in denken vergelijkbaar met die van eerdere grote encyclieken. Leo XIV positioneert zich in die traditie: hij verwijst naar Rerum Novarum (1891), dat internationale arbeidsrechten beïnvloedde; Pacem in Terris (1963), dat mensenrechtenkaders verschoof; en Laudato Si’ (2015), dat klimaatdiscussies kleurde. Met die historische lijn benadrukt het Vaticaan dat kerkelijke richtsnoeren maatschappelijke debatten kunnen bijsturen.

De encycliek levert scherpe kritiek op de huidige mondiale aanpak van AI-regulering: de Verenigde Staten laten veel over aan de markt en wisselende beleidslijnen, de EU bouwt aan een uitgebreid maar mogelijk log juridisch raamwerk en China integreert AI in staatscontrole. Wat in al deze modellen volgens het Vaticaan ontbreekt, is een expliciet antwoord op de vraag ‘waartoe?’ — met andere woorden: welke maatschappelijke doelen dienen technologieën?

Magnifica Humanitas wijst op de concentratie van technologische macht bij private bedrijven die vaak sterker lijken dan staten en die infrastructuren en regels in de praktijk zelf bepalen. De paus pleit daarom voor stevige wettelijke kaders, onafhankelijk toezicht, beter geïnformeerde gebruikers en politieke verantwoordelijkheid, en noemt het vertrouwen in louter marktmechanismen onvoldoende. Machines missen menselijke deugden als mededogen en hoop, waardoor automatische besluitvorming risico’s op uitsluiting voor kwetsbaren verhult.

Een opvallend element van de encycliek is de aandacht voor de menselijke en materiële keten achter AI: miljoenen mensen die data labelen, modellen trainen en content modereren werken vaak onder slechte omstandigheden voor lage lonen; voor de mijnbouw van zeldzame mineralen werken kinderen en jongeren in gevaarlijke omstandigheden. Leo XIV geeft deze arbeidsrealiteit morele gewicht en koppelt het heden expliciet aan de kerkgeschiedenis: hij biedt formeel excuses voor de betrokkenheid van de Kerk bij vormen van slavernij, verwijzend naar pauselijke bulle uit de vijftiende eeuw.

De keuze die de encycliek uiteenzet — tussen een ‘Babel’-wereld van private technologische dominantie en nieuwe vormen van ondergeschiktheid, en een ‘Jeruzalem’-model dat data als gemeenschappelijk goed en menselijke waardigheid centraal stelt — is minder een direct beleidsplan dan een ethische oproep. De kracht van Magnifica Humanitas ligt vooral in het uitspreken van die morele keuze en het zichtbaar maken van de menselijke kosten van het digitale bouwwerk; de vraag blijft of maatschappelijke actoren deze visie zullen helpen vertalen naar wetten en praktijken.