Het Stadspark in Groningen is al 100 jaar geliefd en onbegrepen, en dat is best logisch

maandag, 18 mei 2026 (11:59) - Dagblad van het Noorden

In dit artikel:

Het Stadspark in Groningen wordt al ruim een eeuw gekoesterd, maar voelt voor veel bezoekers tegelijk ongrijpbaar en onaf. Waar je ook loopt, paden lopen soms nergens naartoe, zichtlijnen sterven uit op asfalt of hekken, en delen van het park sluiten niet vloeiend op elkaar aan. Die versnippering is geen toevallig ontwerpfout, maar het resultaat van een plan dat nooit helemaal is uitgevoerd en van honderd jaar aanlagen, toevoegingen en gebruiksveranderingen.

De oorsprong ligt rond 1900–1920, toen Groningen snel groeide en invloedrijke stadgenoten pleitten voor meer groen en betere leefomstandigheden. Industriële geldschieter Jan Evert Scholten betaalde veel van de aanleg, maar het grotere stedenbouwkundige denkwerk kwam van Jan Anthony Mulock Houwer, die een ambitieus parksysteem voor ogen had: het Stadspark moest onderdeel worden van groene verbindingen rond de stad. Landschapsarchitect Leonard Springer ontwierp het kerngebied met zichtlijnen, paden en beplanting; van dat plan zijn delen nog goed te herkennen rond de drafbaan, de Springervijver en het paviljoen. Het park was bovendien bedoeld als plek om te flaneren en jezelf te tonen: een stedelijke uitje in een tijd zonder massatoerisme.

Toch werd het oorspronkelijke idee nooit volledig gerealiseerd. De grootse opzet voor een netwerk van parken en verbindingslijnen bleef onvoltooid, en gaandeweg kwamen nieuwe functies in het groen: volkstuinen, sportvelden, een camping, een kinderboerderij en grootschalige evenementen. Die stapeling van functies maakte het park veelzijdig en populair, maar ook rommelig: ontwerpen werden afgebroken, paden aangepast en delen van het oorspronkelijke landschap weggezakt — de grond is op sommige plekken zo zwak dat kunstmatige heuvels verdwenen.

Daarnaast speelt ligging een rol: het park lag vroeger buiten de stad en werd later door woonwijken omgeven, maar aan de noordkant vormen een bedrijventerrein en busbaan een harde barrière. Daardoor voelt het Stadspark voor veel Stadjers toch ‘ver’ en niet vanzelfsprekend dichtbij, iets waar de gemeente zich bewust van is en waar men aan wil werken — bijvoorbeeld door zwemmen in de grote vijver weer toe te staan en door evenementen te organiseren.

De honderdste verjaardag van het paviljoen (19 mei 1926) wordt door de gemeente aangegrepen om het park in het zonnetje te zetten met tal van activiteiten—een marathonroute, een gratis concert, openluchtbioscoop en een megavlooienmarkt—om zo het park opnieuw als hart van de stad te profileren. Cultuurhistorica Marinke Steenhuis, die momenteel aan een boek over het Stadspark werkt (verschijning november), en historica Marieke Dwarswaard wijzen erop dat het park zowel idealen van stedelijke vernieuwing belichaamt als de persoonlijke belangen van financiers (zoals Scholten, die zijn liefde voor paardensport liet terugkomen in een drafbaan).

Kortom: het Stadspark is geliefd maar onbegripvol; niet omdat het slecht begon, maar omdat het nooit is afgemaakt en voortdurend is herontworpen naar nieuwe behoeften. Die gelaagdheid — een zorgvuldig beoogd wandelpark naast een volwaardig recreatiegebied en evenementenlocatie — maakt het bijzonder én complex. De komende jaren zal de vraag blijven of Groningen het park meer als uitgewerkte bestemming kan neerzetten, of dat het juist aantrekkelijk blijft door die voortdurende, historische onvoltooidheid.