Het poldermodel werkt niet meer voor iedere klasse
In dit artikel:
Vakbonden zijn volgens de auteurs geen neutrale belangenorganisaties maar historische producties van klassenstrijd: ze ontstonden in de negentiende eeuw als antwoord op hongerlonen, gevaarlijk werk en kinderarbeid. Die conflictlogica blijft relevant nu de arbeidsmarkt in Nederland de afgelopen decennia fundamenteel veranderde. Nederland heeft het hoogste aandeel flexwerkers binnen de EU; ruim een derde van alle werkenden heeft geen vast contract. De organisatiegraad van vakbonden zakte van meer dan 35 procent in de jaren tachtig naar onder de 17 procent. Tegelijkertijd kromp het aandeel van arbeid in het nationaal inkomen, waardoor de opbrengsten van economische groei ongelijk zijn verdeeld.
Nieuw onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau toont dat sociale klasse veel sterker bepaalt hoe goed iemand het heeft dan woonplaats: klassenachtergrond verklaart ruim 20 procent van slechte levenskwaliteit, regio hooguit 1,7 procent. Eén op de zes Nederlanders hoort bij de meest kwetsbare klassen — precies de groep die vakbonden zouden moeten bereiken, maar waar ze het minst zichtbaar zijn. Laagopgeleiden krijgen vaker te maken met werkloosheid, armoede en precaire banen; de markt biedt hier geen oplossing.
Ook op Europees niveau signaleert de ETUC eenzelfde ontwikkeling: vaste arbeidsverhoudingen maken plaats voor tijdelijke contracten, platformwerk en schijnzelfstandigheid, terwijl collectieve cao-structuren verzwakken. Arbeidsvraagstukken zijn daardoor niet louter economisch meer maar ook sociaal en politiek van aard.
Het Nederlandse poldermodel — overleg tussen overheid, werkgevers en werknemers dat decennialang stabiliteit bracht — functioneert volgens de auteurs niet meer voor grote groepen werkenden. Een overlegstelsel kan legitiem lijken maar feitelijk de sterksten bevoordelen als deelnemers geen echte machtsmiddelen hebben. Dat wordt zichtbaar in kabinetsgesprekken over AOW, WW en WIA: afspraken lijken soms vooraf uitgemaakte conclusies, terwijl sociale akkoorden uit het recente verleden (Sociaal Akkoord 2013, MLT-advies 2021) niet de beloofde verlichting voor kwetsbaren hebben gebracht.
Om het poldermodel bruikbaar te houden, pleiten de schrijvers voor een radicale herijking met drie concrete eisen:
- afdwingbare minimumnormen voor álle werkenden, inclusief flexwerkers, platformarbeiders en gedwongen zzp’ers;
- echte zeggenschap voor werknemers (met als voorbeeld het Duitse Mitbestimmung), niet louter overleg;
- actieve gerichtheid van vakbonden op nieuwere, moeilijk bereikbare groepen en die groepen reële invloed geven op prioriteiten en besluiten.
Jongere generaties verwachten naast inkomenszekerheid ook meer invloed, transparantie en directe betrokkenheid; dat vraagt andere vormen van solidariteit dan de klassieke vakbondsmodellen. De centrale vraag is of vakbonden die omslag durven te benoemen en te maken: niet terugverlangen naar het verleden, maar bouwen aan collectieve bescherming die aansluit op de arbeidsrealiteit van nu.
Merdan Yagmur en Peter Spijkerman — voormalige leden van het Algemeen Bestuur van FNV — voeren dit pleidooi voor een hernieuwd en inclusiever vakbondswerk.