Het keurslijf van het sonnet, rondeel en kwatrijn laat weinig ruimte voor flauwekul | Column Jean Pierre Rawie
In dit artikel:
Jean Pierre Rawie reflecteert op het fenomeen dat het vroegste werk van grote kunstenaars zelden meteen meesterlijk is, met uitzondering van sommige componisten zoals Mozart. In de literatuur is rijping meestal nodig: vroege bundels van grote dichters zijn vaak slechts interessant in het licht van wat nog komt. Hij waarschuwt tegen het spitten en publiceren van alle jeugdwerk; voorbeelden zijn de teruggevonden verzen van Elsschot en het postume materiaal van Vasalis, dat haar reputatie schaadde.
Rawie deelt ook zijn eigen ontboezeming: als puber imiteerde hij de experimenten van de Vijftigers en schreef onbegrijpelijke, vormloze gedichten zonder interpunctie, iets waar hij later op terugkeerde. Hij stelt dat in Nederland nog steeds wordt gedacht dat ondoorgrondelijkheid poëtische waarde toevoegt, terwijl die houding er mede toe leidt dat bundels nauwelijks gelezen worden.
De ontdekking van vaste vormen — sonnet, rondeel, kwatrijn — noemt hij een bevrijding: het keurslijf dwingt tot precieze, bondige formulering en laat weinig ruimte voor onzin. Technische beheersing krijgt in de letteren onterecht argwaan, terwijl die in beeldende kunst en muziek als vanzelfsprekend wordt geacht. Tegelijk waarschuwt hij dat het sublieme in de poëzie dicht bij het belachelijke ligt; één fout kan een gedicht tenietdoen. Als illustratie noemt hij een Bredero-sonnet dat nu schoolklassen eerder laat giechelen dan bewonderen.
Hij besluit met een anekdote over een dichter die een sonnet over Rembrandts De Staalmeesters schreef en bij de omslag naar het sextet de context verloor door te schrijven dat “het doek valt”, waardoor het schilderij als theaterdecors leek. Daarmee illustreert Rawie de gevaren van slordigheid en de waarde van vormdiscipline in de poëzie.