Het kabinet gaat ons onnodig op kosten jagen met vier peperdure kerncentrales

maandag, 2 maart 2026 (10:08) - Joop

In dit artikel:

Minister Hermans besloot vorig jaar dat Nederland vier kerncentrales volledig door de staat zal laten betalen en exploiteren. Daarmee keert de VVD zich af van haar vroegere marktgerichte principe, maar er blijken vrijwel geen commerciële partijen geïnteresseerd om zulke projecten te dragen — een signaal dat alarmbellen zou moeten doen rinkelen.

De regering profileert kernenergie als oplossing voor CO2-reductie, maar het plan roept veel praktische en financiële vragen op. Grote projecten van dit kaliber blijken wereldwijd structureel duurder en langzamer dan gepland. Het Britse project Hinkley Point C — door EDF (Frans) met een Chinese partner gebouwd — illustreert dat: twee reactors, een uitstel tot circa 2030, en kosten die zijn opgelopen van een geraamde £18 miljard naar ongeveer £35 miljard (bijna €39 miljard). Daarnaast betalen Britse consumenten later jaarlijks miljarden aan garanties om de stroom rendabel te houden. Ook daar rijzen onverwachte kosten, bijvoorbeeld door snellere kustafslag en benodigde kustbescherming — een relevant risico voor Zeeland met stijgende zeespiegel en stormachtiger weer.

Gezien deze voorbeelden is het optimistisch om in Nederland te rekenen op soepele uitvoering. Realistischere scenario’s — zoals de auteur bepleit — wijzen op een totale prijs rond de €80 miljard voor vier centrales, een eerste oplevering pas na anderhalf decennium en forse subsidies tijdens exploitatie. Bij aanvang van zo’n project zijn veel cruciale kennis en capaciteit niet in eigen huis; specialistische bouwteams, materialen en onderdelen zullen grotendeels van buiten komen. Dat vergroot afhankelijkheid, levert politieke risico’s op en kan leiden tot jarenlange meerkosten die de staatskas en andere publieke uitgaven (zorg, sociale voorzieningen) onder druk zetten.

Er is ook een geopolitieke kant: uranium is geen Europese grondstof in ruime mate en zal geïmporteerd moeten worden. In een wereld die flink kan veranderen, is afhankelijkheid van brandstofleveranciers een kwetsbaarheid. Bovendien bieden grote centrales weinig flexibele verdeling over het net, wat een nadeel kan zijn bij rampen of conflicten.

Tegelijkertijd wijst de auteur op onmiskenbare voordelen van kernenergie: lage CO2-uitstoot tijdens gebruik en stabiele productie. Maar hij pleit voor een andere, meer Europese en innovatieve benadering: investeren in grootschalige uitrol van hernieuwbare bronnen (wind, zon, getijden), slimme opslag en netbeheer, en het ontwikkelen van kleinere, in serie gefabriceerde reactoren (SMR’s) of thoriumconcepten die minder afhankelijk zijn van uranium. Zulke fabrieksmatige productie vermindert risico’s, verlaagt kosten per eenheid en maakt het makkelijker om capaciteit over Europa te spreiden. Kernfusie blijft perspectief op langere termijn, maar is op korte termijn geen oplossing.

Tot slot benadrukt de schrijver dat energiebeleid stevigheid en een brede, inhoudelijke politieke meerderheid vereist — voorwaarden die hij nu niet ziet ingevuld. Hij roept op tot meer betrokkenheid van wetenschappers en bouwers in besluitvorming en tot durf voor andere technische oplossingen in plaats van automatisch te kiezen voor grootschalige staatsprojecten. De kernvraag die overblijft: willen burgers jarenlange financiële risico’s en mogelijke bezuinigingen betalen voor vier kostbare centrales, of kan Europa slimmer en minder kwetsbaar investeren?