Het is tijd voor radicale linkse politiek

zondag, 25 januari 2026 (10:08) - Joop

In dit artikel:

De auteur betoogt dat wat men soms schamper “radicale linkse politiek” noemt eigenlijk een terugkeer naar het klassieke linkse project is: grote vergezichten, collectieve hoop en plannen voor structurele vooruitgang. Uit persoonlijke ervaring met depressie schetst de schrijver een samenleving die al jaren in een staat van bijna constante crisis verkeert — sinds de kredietcrisis van 2008 tot aan de coronaperiode en recente kwesties zoals klimaat, inflatie, woningmarkt, stikstof, migratie, oorlogen en politieke schandalen — waardoor veel mensen pessimistisch en moedeloos zijn geworden. Jongeren groeien op met crisisnieuws als norm; leiders tonen zelden een geloofwaardig toekomstperspectief waar men zich aan kan optrekken.

De auteur ziet oorzaken voor dit gebrek aan toekomstvisie vooral in het hedendaagse kapitalisme en de concentratie van macht bij superrijken en megabedrijven. Met voorbeelden uit Nederland — grootschalige mediabedrijven (zoals DPG), invloedrijke techreuzen, fossiele belangen en grote huisbazen die intensief lobbyen — wordt betoogd dat economische macht wordt ingezet om veranderingen en hoop te ondermijnen. Geld wordt gebruikt om politieke invloed te kopen (verwijzingen naar donaties aan partijen als VVD, CDA en D66) en om maatschappelijke aandacht te sturen, waardoor collectieve actie en idealisme worden afgeremd. Individualisering en neoliberaal denken helpen die strategie: als mensen alleen voor zichzelf zorgen, is het makkelijker voor de rijken om de huidige orde in stand te houden.

Daarnaast signaleert de tekst een culturele verschuiving: populaire verhalen en media laten minder optimistische toekomstbeelden zien (als tegenstelling wordt Star Trek genoemd), waardoor idealisme vaker als naïef wordt weggezet. Dat draagt eraan bij dat hoop niet alleen afneemt, maar actief wordt gedempt: iedere poging tot verbetering krijgt direct economisch of pragmatisch tegenargumenten, waardoor hoop “gestikt” raakt.

Tegelijk definieert de auteur hoop als een actief, collectief en creatief beginsel — geen strak afgebakend doel of individualistisch wensdenken, maar een gedeelde oriëntatie die mensen in beweging brengt en ruimte geeft voor experiment, fouten en leren. Hoop vraagt moed, het vermogen om institutionele systemen te vervangen en nieuwe arrangementen uit te proberen. Daarom moet linkse politiek volgens de schrijver weer leren grote maatschappelijke verhalen te vertellen: concrete, lange-termijnvisies voor Nederland over 10–30 jaar die niet met loze cijfers worden opgesmukt, maar mensen een beeld en een gezamenlijk doel bieden (een samenleving met huisvesting voor iedereen, voedselzekerheid, onderwijs en zorggaranties). Eerlijkheid over tijdspaden is belangrijk: verbetering komt niet van de ene op de andere dag, maar een gedeelde weg ernaartoe is nodig.

De kernoproep is politiek strategisch en normatief: links moet stoppen met alleen reageren op de crisis van de week en opnieuw durven dromen en organiseren voor collectieve vooruitgang. Alleen door hoop actief te maken — als strijd, samenwerking en toekomstgericht ontwerpen — kan men het cynisme en de macht van economische elites tegenwerken. De auteur besluit persoonlijk: hij gelooft in die toekomst en werkt daaraan mee.