Het is slim om de brandstofaccijnzen niet te verlagen, concludeert het CPB. Maar samenwerking met andere landen is dan wel cruciaal
In dit artikel:
Het Centraal Planbureau (CPB) roept EU-landen op hun steunmaatregelen tegen de economische gevolgen van de Amerikaans-Israëlische oorlog met Iran te coördineren. In een donderdag gepresenteerde analyse waarschuwt het planbureau dat individuele, uiteenlopende nationale ingrepen — zoals tijdelijke verlagingen van de brandstofaccijns die enkele buurlanden hebben ingevoerd — kunnen leiden tot een ongelijk speelveld en concurrentienadelen voor bedrijven in landen die dergelijke maatregelen niet nemen.
Directeur Pieter Hasekamp benadrukt dat accijnsverlagingen duur en weinig doelgericht zijn. Volgens het CPB is slechts een relatief kleine groep huishoudens zwaar door de crisis geraakt; die groep verdient tijdelijke, gerichte hulp. Als hogere energieprijzen echter structureel blijken, is blijvende inkomenssteun geen oplossing en zijn beleidsmaatregelen nodig om de afhankelijkheid van geïmporteerde fossiele energie te verkleinen — bijvoorbeeld door het stimuleren van elektrisch rijden en woningisolatie.
Het CPB werkt met drie scenario’s voor de economische impact: een scenario gebaseerd op huidige marktverwachtingen, een scenario met tijdelijk hogere energieprijzen, en een ernstig scenario met langdurig hogere prijzen. In alle gevallen daalt de economische groei; in het slechtste scenario loopt de groei terug naar bijna nul in 2027. De inflatie stijgt naar bijna 4 procent in het gunstigste scenario in 2026 en boven 5 procent in de ernstiger varianten — ruim boven de circa 2 procent die centrale banken als gezond beschouwen. Voor 2024 lopen de inflatieprojecties uiteen van net onder 2 tot ruim 3 procent.
Dat heeft directe gevolgen voor koopkracht en bedrijfsvoering. Waar in maart nog een koopkrachtstijging van 1,4 procent werd verwacht, voorziet het CPB nu dat koopkracht dit jaar in het beste geval stabiel blijft en mogelijk daalt. Voor 2027 verwacht het bureau dat loonstijgingen deels het inkomensverlies kunnen compenseren.
Voor bedrijven blijft de impact beperkt maar niet uniform. Energie-intensieve sectoren (chemie, raffinage) kunnen hogere kosten doorgaans doorberekenen. Omdat het huidige probleem een wereldwijde energiecrisis is — anders dan Europa’s 2022-problemen met Russisch gas — is de concurrentiepositie van Europese bedrijven minder direct verstoord. Handelaren en groothandels die via de Golfregio producten importeren kunnen kwetsbaar zijn, maar vaak bestaan er alternatieve leveranciers; wereldwijde schaarste kan wel prijsstijgingen veroorzaken.
De zwaarst getroffenen zijn autogebruikers met lage inkomens die veel rijden. Van de 775.000 Nederlanders met een inkomen tot circa 10 procent boven de armoedegrens bezit ongeveer een derde een auto. In het gunstige scenario geven zij dit jaar gemiddeld zo’n €200 extra aan brandstof uit (≈€17 per maand); in 2027 zou dit gemiddeld €130 zijn. In ernstiger scenario’s stijgen die extra kosten naar ongeveer €300–€325 in 2026, en sommige zeer laag-inkomenshuishoudens die veel rijden kunnen tot €1.250 per jaar meer kwijt zijn. Door grote spreiding binnen lage-inkomensgroepen is het moeilijk om met één maatregel precies de juiste mensen te bereiken.
Het Nederlandse kabinet werkt aan een gerichter pakket (onder meer verlaging van motorrijtuigenbelasting voor bedrijfsauto’s en een energienoodfonds voor de armste huishoudens), maar verwacht geen accijnsverlaging. Het CPB benadrukt dat Europese coördinatie van steunmaatregelen nodig is om ongewenste concurrentieverschillen te voorkomen.