Het Internationaal Gerechtshof wordt in een steeds chaotischer wereld wél serieus genomen

woensdag, 30 september 2026 (13:00) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Het Internationaal Gerechtshof (ICJ) in het Haagse Vredespaleis bestaat in 2026 tachtig jaar, maar is allang geen louter statig forum voor diplomaten en juristen meer. Door zaken over oorlog, genocide, mensenrechten en klimaat staat het hof steeds nadrukkelijker midden in de wereldpolitiek. Het behandelt momenteel 24 zaken, meer dan ooit, terwijl het met vijftien rechters, een beperkte staf en een jaarbudget van ongeveer dertig miljoen euro kampt met een groeiende werkdruk, achterstallig onderhoud en financiële problemen doordat VN-lidstaten hun contributies niet altijd betalen.

De directe aanleiding voor de beschrijving van het hof is een zitting in september 2026 over een zaak van Nicaragua tegen Duitsland. Nicaragua verwijt Duitsland dat het door wapenleveringen aan Israël bijdraagt aan genocide en andere schendingen van het internationaal recht in Gaza. Duitsland betoogt dat het hof geen rechtsmacht heeft en dat het onvoldoende gelegenheid kreeg om op de aanklacht te reageren. De zaak illustreert hoe landen het hof steeds vaker inschakelen bij actuele gewapende conflicten en bredere kwesties die de internationale gemeenschap raken.

Het ICJ werd op 26 juni 1945 opgericht als het belangrijkste gerechtelijke orgaan van de Verenigde Naties. De eerste zitting vond in 1946 plaats in het Vredespaleis, dat in 1913 werd geopend na de Haagse vredesconferenties van 1899 en 1907. Het hof heeft twee hoofdtaken. Het doet bindende uitspraken in geschillen tussen staten, bijvoorbeeld over grenzen, diplomatieke immuniteit of staatsverantwoordelijkheid. Daarnaast brengt het niet-bindende advies uit op verzoek van VN-organen en internationale organisaties. Het hof kan alleen optreden wanneer staten zijn rechtsmacht hebben aanvaard, bijvoorbeeld via een verdrag. De uitspraken zijn formeel bindend, maar het hof beschikt niet over een eigen dwangmiddel. Zijn gezag steunt vooral op juridische overtuigingskracht en institutionele legitimiteit.

Aanvankelijk had het hof een voorzichtig en behoudend imago. De zaak over South West Africa, waarin Ethiopië en Liberia Zuid-Afrika aanklaagden vanwege apartheid in Namibië, beschadigde in de jaren zestig het vertrouwen van pas onafhankelijk geworden staten. Een omstreden uitspraak leek koloniale belangen te bevoordelen. Vanaf de jaren tachtig nam het aantal zaken weer toe, vooral over gewapende conflicten en humanitaire crises. Nicaragua speelde daarin een belangrijke rol: het land klaagde de Verenigde Staten aan wegens militaire en paramilitaire activiteiten, waarna het hof oordeelde dat die moesten stoppen.

Sinds 2021 brengen landen gemiddeld vier à vijf zaken per jaar aan, tegenover ongeveer tweeënhalf in eerdere decennia. Volgens deskundigen komt die groei mede doordat de VN-Veiligheidsraad er niet in slaagt conflicten te voorkomen of op te lossen. Vooral kleinere en middelgrote landen gebruiken het hof om machtige staten juridisch ter verantwoording te roepen. Dat vergroot tegelijk de kwetsbaarheid van het instituut: machtige landen trekken de legitimiteit van uitspraken soms in twijfel of weigeren ze uit te voeren. De vijftien rechters worden gekozen door de VN-Algemene Vergadering en moeten verschillende regio’s en juridische tradities vertegenwoordigen. Bij afzonderlijke zaken kunnen staten bovendien een ad-hocrechter aanwijzen.

Naast klassieke grens- en soevereiniteitsgeschillen behandelt het hof steeds vaker kwesties die het algemene belang betreffen. Zo oordeelde het in een zaak van Australië tegen Japan dat de Japanse walvisvangst niet gerechtvaardigd was als wetenschappelijk onderzoek. In recente adviesprocedures stelde het dat klimaatverandering een urgente en existentiële, door mensen veroorzaakte bedreiging vormt en dat staten verplicht zijn ernstige schade te voorkomen, samen te werken en het klimaatsysteem voor toekomstige generaties te beschermen. Ook verklaarde het hof het Britse bestuur over de Chagos-archipel en de Israëlische bezetting van Palestijns gebied onrechtmatig. In het advies over Palestina uit 2024 sprak het bovendien over raciale segregatie en apartheid en wees het op verplichtingen voor derde landen, waaronder Nederland.

Mensenrechten en genocide vormen inmiddels een belangrijk deel van het werk. Staten kunnen ook een zaak beginnen wanneer hun eigen burgers of grondgebied niet rechtstreeks zijn getroffen, omdat zij volgens bepaalde verdragen een gezamenlijk belang hebben bij naleving. België gebruikte dat argument in de zaak tegen Senegal over de vervolging van de voormalige Tsjadische leider Hissène Habré. Het hof bepaalde in 2012 dat iedere verdragsstaat Senegal mocht aanspreken op zijn verplichtingen onder het folterverdrag. Nederland en Canada begonnen daarnaast een procedure tegen Syrië wegens marteling; die zaak loopt ondanks de machtswisseling door.

De genocidezaak van Gambia tegen Myanmar over de vervolging van de Rohingya geldt als een belangrijk precedent. Het hof aanvaardde dat Gambia, hoewel het niet rechtstreeks was getroffen, op grond van het genocideverdrag mocht optreden. Een uitspraak over de vraag of Myanmar daadwerkelijk genocide heeft gepleegd, wordt eind 2026 verwacht. Die beslissing kan richtinggevend zijn voor de beoordeling van bewijs in complexe genocidezaken, waarbij het hof zelf geen onderzoekers naar vluchtelingenkampen stuurt en sterk afhankelijk is van materiaal van VN-organisaties.

De zaak van Zuid-Afrika tegen Israël, die eind 2023 werd aangespannen, heeft de zichtbaarheid van het hof verder vergroot. Zuid-Afrika beschuldigt Israël ervan het genocideverdrag te schenden tijdens de oorlog in Gaza. Het hof legde Israël voorlopige maatregelen op, waaronder de plicht genocidale handelingen te voorkomen, humanitaire hulp toe te laten, bewijsmateriaal te bewaren en oproepen tot genocide te bestraffen. Ook Hamas werd opgedragen gijzelaars vrij te laten. Een rechter keerde zich tegen alle maatregelen tegen Israël; haar latere publieke uitspraken over Israël en een beschuldiging van plagiaat riepen vragen op over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het hof. De inhoudelijke procedure kan nog jaren duren: Israël kreeg uitstel en mag volgens de huidige planning tot 2029 reageren.

Daarin schuilt een van de grootste problemen van het hof. De procedures zijn juridisch grondig maar traag, mede doordat slechts vijftien rechters de toenemende hoeveelheid werk gezamenlijk moeten behandelen. Voorlopige maatregelen kunnen de planning bovendien telkens doorkruisen. Ook het Vredespaleis zelf heeft dringend renovatie nodig; asbest is op delen van het gebouw verwijderd en de eigenaar, de Carnegie Stichting, moet samen met Nederland een grootschalige verbouwing aanpakken.

Toch zien deskundigen en medewerkers de groeiende belangstelling vooral als bewijs dat veel staten nog vertrouwen hebben in internationaal recht en vreedzame geschillenbeslechting. Het hof is voor hen een veiligheidsnet in een wereld waarin geweld snel kan escaleren. Hoewel uitspraken niet altijd worden nageleefd en de procedures voor het publiek moeilijk toegankelijk zijn, dwingen de prominente zaken het ICJ steeds nadrukkelijker om richting te geven aan de internationale rechtsorde.

BEKIJK OOK:

Vandaag Inside: Johan Derksen over kijkcijfers Renze: 'Ik denk dat Humberto en Beau klaarkomen van vreugde'