Het gestook tegen migranten holt de menselijkheid uit, van Tunesië tot Nederland
In dit artikel:
De afgelopen weken stapelen filmpjes zich op tot één verontrustend beeld: structureel geweld en de geleidelijke normalisering daarvan tegenover migranten, van Noord-Afrika tot Nederland. In Tunesië circuleren beelden van daders die met trots racistische vernedering en fysiek geweld filmen tegen een zwangere Afrikaanse vrouw; in Libië zijn er beelden van groepen Afrikaanse migranten die als vee de grens over de woestijn in worden gejaagd. En in Nederland werd per toeval vastgelegd hoe een Nederlandse agent een zwangere Palestijnse vluchtelinge hardhandig tegen de grond trok — een incident dat de schrijver verbindt met de buitenlandse voorbeelden als onderdeel van eenzelfde zorgwekkende trend.
De auteur plaatst deze incidenten in een politieke context: sinds februari 2023 heeft de Tunesische regering migranten uit Sub-Sahara Afrika bestempeld als een demografische dreiging. Daarmee is de Europese extreemrechtse complottheorie van “de Grote Vervanging” niet langer marginaal, maar gedijt zij in staatsretoriek en beleid. Dat verandert het publieke kader: vluchtelingen worden niet langer primair als noodlijdende mensen gezien, maar als een existentiële ‘invasie’, wat geweld en uitsluiting normaliseert.
Europa, en in het bijzonder de EU, speelt volgens de schrijver een belangrijke rol in deze dynamiek. Sinds de migratiedeals van 2023 fungeert Tunesië feitelijk als grenswachter van Europa: Europese financiering ondersteunt grenscontrole en detentie in landen waar migranten vaak niet veilig zijn. Dat heeft geleid tot een bufferzone aan de zuidkant van de Middellandse Zee — een harde wachtruimte waarin geweld, uitbuiting en discriminatie toenemen terwijl Europese kuststeden minder migratiecijfers zien.
Naast staatsbeleid is er ook brede maatschappelijke verdoving: de Tunesische regering zwijgt over de gevallen, aanhangers vinden excuses of vieren het op sociale media, en gewone mensen tonen agressie op straat — zoals in Hammam Lif, waar een bedelende Afrikaanse vrouw en haar kind met schrikbarende hardheid werden verjaagd. Voor de auteur is dat het teken dat de grens van de beschaving is overschreden: wanneer burgers denken dat armoede of huidskleur iemand het recht ontnemen te bestaan, is er iets fundamenteel mis.
Tegelijk richt de tekst scherpe kritiek op Nederland: politieke ‘twijfel’ over samenwerking met Tunesië is weinig waard als geldstromen blijven lopen, en interne politieonderzoeken dreigen uit te monden in de gebruikelijke afdoeningen waarbij agenten binnen protocollen zouden hebben gehandeld. De schrijver vreest dat uniformen en wetten gebruikt worden om kwetsbaren te breken en roept op tot wakker worden en doortastend optreden — tegen staats- en uniform-gestuurd geweld, zowel in Noord-Afrika als thuis.
Kortom: de combinatie van staatsretoriek, Europese outsourcing van grenzen en sociale normalisatie van haat schept gevaarlijke condities voor migranten. De auteur waarschuwt dat als er geen duidelijke grens en actie komt, de gemeenschappelijke menselijkheid wereldwijd verder zal uithollen.