Het elimineren van de leiding in plaats van een invasie: Washingtons nieuwe methode van 'regime change'

woensdag, 14 januari 2026 (00:00) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Op 3 januari 2026 viel Venezuela onverwachts in een stilgehouden operatie die het land-politieke landschap plotseling ontregelde: tientallen helikopters en meer dan tweehonderd elitestrijders omsingelden doelwitten in Caracas en president Nicolás Maduro verliet het land. De actie, uitgevoerd door een eenheid die in het verleden al bij hoogprofieloperaties betrokken was, illustreert een groeiend buitenlands en militair repertoire: niet langer grootschalige bezetting, maar gerichte “onthoofding” van machtscentra om regimes te verzwakken zonder ze volledig te bezetten.

Dit model — in de literatuur vaak aangeduid als high-value targeting of leadership decapitation — is geen nieuw instrument, maar krijgt nu hernieuwde toepassing op staten. Het is gebaseerd op het idee dat het verwijderen van sleutelfiguren besluitvorming verstoort, opvolging onzeker maakt en interne rivaliteiten aanwakkert, waardoor een gezagshouder of beweging in wezen verlamd raakt. De Verenigde Staten en Israël hebben deze tactiek decennialang gebruikt tegen niet-statelijke actoren: voorbeelden zijn de acties tegen Abu Musab al‑Zarqawi (2006), Osama bin Laden, Abu Bakr al‑Baghdadi en meer recent de liquidatie van de Iraanse generaal Qasem Soleimani (3 januari 2020). Israël paste vergelijkbare precisietactieken toe tegen Palestijnse en Libanese leiders, met het doel successionele consolidatie te verhinderen.

Onderzoek laat zien dat de effectiviteit van zulke operaties sterk varieert. Studies van onder anderen Jenna Jordan en Patrick Johnston tonen dat onthoofding vaak het beste werkt tegen centraal geleide, persoonlijk gecentreerde organisaties die weinig interne bureaucratische veerkracht hebben — denk aan Lichtend Pad of de Tamil Tijgers. Daarentegen blijken ideologisch ingebedde, decentrale netwerken zoals al‑Qaida en delen van Hamas vaak robuuster: de top kan verdwijnen, maar lokale structuren zetten het geweld soms eerder voort of worden juist harder en pragmatischer. In sommige gevallen leidt het weghalen van leiders tot fragmentatie en verzwakking; in andere gevallen tot radicalisering of de opkomst van efficiëntere opvolgers.

De Venezolaanse operatie lijkt te hebben geprofiteerd van interne medewerking: signalen wijzen op afspraken met delen van het militaire apparaat, veiligheidsdiensten en economische elites — wat in Latijns‑Amerika vaak de ‘diepe staat’ wordt genoemd — en contact tussen Amerikaanse officials en regimefiguren voor een overgangsregeling. Voor Washington past die aanpak in een strategie die stabiliteit, invloed en toegang tot middelen (zoals olie) nastreeft zonder langdurige militaire inzet. Het doel is niet per se regimevervanging in westers democratisch plaatje, maar het verschuiven van machtspunten ten gunste van praktische belangen.

Dat brengt risico’s en kosten met zich mee. Een gecontroleerde verstoring kan leiden tot langdurige balansacten binnen een staat: een fragiele machtsverdeling, permanente onzekerheid en druk op instituties — vergelijkbaar met hoe Syrië na jaren van stil overleg en geopolitieke verschuivingen niet werd omvergeworpen maar wel van koers veranderde. Bovendien is het model niet universeel exporteerbaar: politieke context, ideologische diepgang, institutionele veerkracht en regionale verbanden bepalen of een onthoofdingsoperatie leidt tot snelle ontbinding of juist tot nieuwe, soms hardere machtsstructuren.

Internationaal verhoogt dit de kans op herhaalde, stille interventies: omdat operaties relatief beperkt zijn en minder zichtbare voetafdrukken nalaten, zijn ze verleidend om elders te herhalen — van Nicaragua tot Iran. In Iran, waar binnenlandse protesten woeden, waarschuwen analisten dat het niet om een complete implosie maar om het breken van revolutionaire kernstructuren zou kunnen gaan. Maar elke poging om topfiguren te verwijderen raakt ook aan internationale rechtvaardigheid, regionale stabiliteit en de onzekerheid over wie werkelijk macht zal houden nadat de kop is afgereden.

Kortom: het Venezuela‑model toont hoe internationale machtspolitiek verschuift naar precieze, gerichte ontregeling van leiderschap als instrument. Het kan snel rendement opleveren zonder grootschalige bezetting, maar het creëert ook langdurige onzekerheid, selecteert soms voor hardere opvolgers en werkt alleen onder specifieke organisatorische en politieke voorwaarden.