Het borrelnootje, misschien wel ons grootste culturele succesnummer

woensdag, 3 juni 2026 (12:15) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Hiske Versprille beschrijft in een persoonlijke en historisch getinte bijdrage waarom het borrelnootje in Nederland zo hardnekkig onweerstaanbaar is. Ze begint bij zichzelf: hoewel ze geen liefhebber van pinda’s is en zich bewust is van onhygiënische borrelbakjes, kan ze niet stoppen met grissen. Die persoonlijke verslaving zet de toon voor een brede schets van oorsprong, commerciële ontwikkeling en produktonwikkeling.

De snack heeft een migratiegeschiedenis: pinda’s zijn tropisch van oorsprong en de techniek om ze in een koek- of deegjasje te bakken is via Nederlands-Indische en Chinese handelsroutes Nederland binnengekomen. Al ruim honderd jaar terug verschenen in Indische kranten advertenties voor producten als Katjang Shanghai Goreng; in de jaren vijftig bracht de Chinees-Indische familie Go iets vergelijkbaars naar Nederland via het merk Go-Tan. Dankzij hun apothekersachtergrond gebruikten de zusters Go drageerpannen (van pillensuikering) om een knapperig korstje te creëren. Hun product doopte men aanvankelijk Crack Nuts; rond 1970 introduceerde Calvé de naam Borrelnootje en betaalde later octrooivergoedingen aan de familie Go. Concurrenten als Duyvis kopieerden de methode, naar verluidt zonder vergoeding.

In de jaren zeventig en tachtig groeide het borrelnootje uit tot onderdeel van een explosie aan industrieel vervaardigde zoutjes, mee aangewakkerd door bedrijven als Duyvis en Smiths en het massale televisiekijken. Veel merkjes kwamen en gingen; de marktfragmentatie mondde uit in schaalvergroting en concentratie: inmiddels behoren Duyvis en Smiths tot het concern PepsiCo, dat ook merkrechten heeft op de naam Borrelnootje.

Voor de verklaring van de verslavingskracht put Versprille uit voedselonderzoek, met name het concept bliss point van Howard Moskowitz en de journalistieke reconstructie van Michael Moss. Fabrikanten spelen met zout, suiker, vet en andere sensorische prikkels om een combinatie te vinden die het verzadigingsgevoel ondermijnt: smaken die intens maar niet specifiek genoeg zijn om te signaleren “genoeg”. De talloze vage smaakbenamingen en de meer recente kruisbestuiving met chipssmaken (Dorito’s, Lay’s-smaken) versterken volgens haar een patroon van hypergemanipuleerde, verslavende snacks.

Hoewel ze de ontwikkeling — industrialisatie, corporale concentratie en steeds kunstmatiger smaken — als dystopisch ervaart, geeft Versprille eerlijk toe dat ze toch toegeeft aan het product zodra het voor haar ligt. Daarmee illustreert het stuk zowel culturele verankering van het borrelnootje in Nederland als de kracht van moderne voedseltechnologie om eetgedrag te sturen.