Het bevroren beeld van de rol van de moeder en de vader houdt beide ouders gevangen

vrijdag, 5 juni 2026 (00:00) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

De auteur beschrijft vanuit eigen ervaring hoe verzorgingstaken in gezinnen nog vaak vanzelfsprekend bij vrouwen terechtkomen, ook in tijden van co-ouderschap. Als co-ouder draagt zij wekelijks de volledige zorg voor haar kinderen: maaltijden, schooladministratie, zieke kinderen, weekendrituelen. Dat persoonlijke voorbeeld illustreert een breder patroon: vrouwen combineren vaker betaald werk met een onevenredig grotere hoeveelheid zorguren. Recente cijfers tonen dat jonge vrouwen vijftien jaar geleden tot nu meer dan twee keer zo vaak langdurig uitvallen met stressklachten, en gemiddeld circa negen uur per week meer aan zorg besteden dan mannen — bovenop een fulltimebaan. Socioloog Ympkje Albeda noemt deze situatie een “vastgelopen revolutie”.

De gebruikelijke verklaringen — luie mannen, rigide werkgevers of avondwerkcultuur — zijn volgens de auteur te simplistisch. Zij wijst op diepere, psychologische en culturele mechanismen. Een belangrijk begrip is maternal gatekeeping: onbewuste gedragingen van moeders die vaders beperken in hun zorgrol, bijvoorbeeld door strengere standaarden te hanteren, taken terug te nemen omdat het “sneller gaat” of door zorg als onderdeel van hun eigen identiteit te claimen. Zulke reflexen ontstaan deels uit overgedragen scripts: moeders hebben het gezin vaak als hun domein geleerd en houden daaraan vast uit controle en eigenwaarde.

Historische oorzaken spelen mee. Door onderzoekspraxis in de jaren vijftig en zestig — toen moeders doorgaans thuis waren en dus de respondenten voor studies — ontstond een wetenschappelijke focus op de moeder als primaire hechtingsfiguur. Dat empirische vertrekpunt kreeg normatieve kracht en is institutioneel verankerd: juridische procedures bij scheiding, consultatiebureaus, scholen en scholingsinstrumenten zien de moeder nog vaak als eerste aanspreekpunt. Die vasthoudende norm werkt door in leefpatronen en verwachtingen en legt een extra last bij vrouwen die willen blijven werken.

De auteur benadrukt dat het vaak niet om biologische superioriteit van moeders gaat, maar om aanwezigheid en gelegenheid: waar vaders de ruimte en tijd krijgen, vertonen zij vergelijkbaar verzorgend gedrag. Toch blijven vaders vaak worden beoordeeld aan een moederlijke maatstaf. Dat ondermijnt hun vaderlijk vertrouwen — het geloof in hun eigen kunnen als opvoeder — en zorgt ervoor dat veel mannen bij de eerste kritiek terugtrekken en terugvallen in traditionele rollen. Zo ontstaat een vicieuze cirkel: gatekeeping vermindert betrokkenheid, verminderde betrokkenheid bevestigt de gatekeeping.

Veel gangbare beleidsvoorstellen pakken slechts symptomen aan. Vrije tijd voor vrouwen, het afschaffen van werkmail na zes uur of financiële bonussen veranderen weinig als het huishoudelijk script ongewijzigd blijft. De auteur pleit daarom voor een ander begin: open, schuldvrije gesprekken tussen partners over controle, loslaten en rolverwachtingen. Beide ouders moeten erkennen wat ze vasthouden — vrouwen de controle over het gezin, mannen het ontbreken van een model om zorg op te pakken — en samen nieuwe, werkbare scripts vormgeven.

Kortom: de emancipatie van ouderschap stokt niet alleen door externe structuren maar ook door interne, relationele patronen en historische aannames. Verandering vraagt niet alleen beleidsingrepen, maar vooral geduldige heronderhandeling van identiteit, routines en wederzijds vertrouwen binnen gezinnen.