Het Amerikaanse ICE: 'Van immigratiedienst naar paramilitaire groep'
In dit artikel:
De dood van de 37-jarige Renee Good door een ICE-agent in Minneapolis en de daaropvolgende massale protesten hebben de harde aanpak van de Amerikaanse immigratiedienst in de schijnwerpers gezet. ICE (Immigration and Customs Enforcement), opgericht na 11 september 2001 om de nationale veiligheid te versterken en illegale immigranten op te sporen, is onder president Trump sterk opgevoerd als onderdeel van zijn belofte tot ‘de grootste deportatieoperatie ooit’ — met als doel miljoenen mensen zonder papieren het land uit te zetten.
In 2025 groeide het korps snel: volgens de regering nam het aantal agenten toe van ongeveer 10.000 naar 22.000. Om die aantallen snel inzetbaar te maken werd de selectie- en trainingsdrempel verlaagd; nieuwe rekruten kunnen na een korte training van acht weken aan de slag. Critici waarschuwen dat onervaren, zwaarbewapende teams — vaak in zwarte bivakmutsen en auto’s zonder kenteken — optreden als paramilitaire eenheden en daardoor onnodig escalatie veroorzaken. ICE werft bovendien ook op evenementen als ‘gun shows’, wat volgens experts mannen met een conservatieve, wapengezinde achtergrond aantrekt.
In de praktijk betekent de versterking van ICE dat mensen op straat, op het werk en in woonwijken vaker willekeurig worden gecontroleerd en opgepakt, veelal op basis van huidskleur. Ouders worden soms meegenomen terwijl hun kinderen alleen achterblijven. Velen belanden in detentiecentra waar de omstandigheden slecht zijn en waar het voor gedetineerden lastig is hun arrestatie juridisch aan te vechten. In 2025 noteerde ICE 32 sterfgevallen in detentie — het hoogste aantal in twintig jaar — met oorzaken variërend van hartstilstand tot tuberculose en zelfdoding.
De aanpak veroorzaakt angst en verontwaardiging in brede lagen van de samenleving; protestslogans als ‘Melt ICE’ en ‘ICE out for Good’ zijn in veel steden zichtbaar en recente peilingen tonen groeiende onvrede over de werkwijze van de dienst. De regering daarentegen bestempelt demonstranten als ‘binnenlandse terroristen’. Analisten zoals Kenneth Manusama en Jack Thompson stellen dat hoewel de kritiek toeneemt, de beweging niet sterk of georganiseerd genoeg is om de koers te keren vóór de tussentijdse verkiezingen. Politieke tegenkracht ontbreekt deels ook doordat veel Amerikanen steun blijven houden voor het uitzetten van illegale immigranten en de Democraten volgens de critici onvoldoende vuist maken.