HGJB geschokt door uitkomst onderzoek: 43 procent jongeren leest Bijbel niet of nauwelijks
In dit artikel:
Onderzoek onder 640 catechisanten uit 30 gemeenten binnen de HGJB-achterban (2025) toont dat 43 procent van deze jongeren de Bijbel niet of nauwelijks leest. Dat resultaat noemt de HGJB-jeugdwerker Peter van Wijngaarden verontrustend — vooral omdat het hier om catechisanten gaat, jongeren die midden in de kerkelijke omgeving staan — maar het percentage daalde relatief weinig ten opzichte van vergelijkbaar onderzoek uit 2005 (slechts 3 procentpunt). Een vergelijking met 2015 laat een grotere daling zien, maar die eerdere peiling betrof vooral leerlingen van reformatorische scholen en is daardoor moeilijk direct vergelijkbaar.
De enquête laat verder zien dat wanneer jongeren de Bijbel wel openen, dat vaak kort gebeurt: 75 procent neemt maximaal tien minuten en slechts 7 procent leest een halfuur of langer. Ook is er een duidelijke verschuiving in motivatie: waar in 2015 nog 80 procent aangaf de Bijbel te lezen om God beter te leren kennen, is dat in 2025 teruggelopen naar 62 procent. Lezen om persoonlijk vermaand, getroost of bemoedigd te worden is tussen 2015 en 2025 eveneens fors afgenomen. De motivatie om kennis op te doen bleef min of meer stabiel (rond 48–51 procent). Na het lezen bidt circa een derde van de jongeren; dat aandeel is gedaald ten opzichte van 2005/2015.
Ook het gezag dat jongeren toekennen aan Bijbelse uitspraken verandert: het aandeel dat de Bijbelse visie op seksualiteit als doorslaggevend ziet daalde van 39 naar 34 procent, terwijl het aandeel dat die visie ziet als louter „een mening” steeg van 13 naar 21 procent. Volgens Van Wijngaarden suggereert dit dat jongeren de Bijbel meer als informatieboek benaderen dan als het directe spreken van God — een vermoeden dat de HGJB met kwalitatief vervolgonderzoek wil toetsen.
Op praktische punten vallen enkele ontwikkelingen op: 34 procent van de catechisanten leest vooral alleen, 41 procent leest vooral of altijd samen met anderen. Omdat gezamenlijk lezen zichtbaar potentie heeft, overweegt de HGJB onder meer een Bijbelleesapp waarmee jongeren samen stukken kunnen lezen en bespreken; 41 procent van de respondenten gaf aan zo’n app waarschijnlijk of zeker te zullen gebruiken. Wat vertalingen betreft blijft de Herziene Statenvertaling het meest gebruikt, maar het gebruik van de Bijbel in Gewone Taal is sterk gestegen (van 7 procent in 2015 naar 36 procent nu). De nieuwe NBV21 wordt nauwelijks gebruikt.
De HGJB reageert door een kwalitatief vervolgonderzoek op te zetten: gesprekken met catechisanten uit vier verschillende gemeenten (groot/klein, dorp/stad) moeten dieper ingaan op motieven voor Bijbellezen en op welk gezag jongeren aan Schriftteksten toekennen. Ook wordt het formats van Bijbelinstructie kritisch bekeken: de gangbare Solvat-methode, die sterk inzet op persoonlijke toepassing, kan volgens de organisatie aangepast moeten worden om eerst meer focus te leggen op het begrijpelijk maken van de tekst voordat gevraagd wordt wat die persoonlijk betekent.
Kort samengevat: binnen de HGJB-achterban blijft Bijbellezen onder jongeren voor een aanzienlijk deel laag, de motivatie verschuift meer richting kennisverwerving en het gezag van de Bijbel neemt op sommige terreinen af. De organisatie zoekt zowel via onderzoek als door praktische interventies (groepen, digitale tools, didactische aanpassingen) naar manieren om jongeren weer meer bij het lezen en begrijpen van de Schrift te betrekken.