Hennie van der Most (75) zal sterven in het harnas: een ondernemer gaat altiet deur

vrijdag, 28 november 2025 (20:59) - Dagblad van het Noorden

In dit artikel:

Hennie van der Most, de selfmade ondernemer uit Slagharen, heeft decennialang oude bedrijfspanden omgevormd tot winstgevende horeca- en amusementslocaties — denk aan De Bonte Wever, Kalkar, Oranje en DeSmelt. Op 23 maart wordt hij 75, maar stilzitten doet hij niet: vanaf zijn bescheiden werkplek op het bedrijventerrein in Schuinesloot houdt hij toezicht op vier bedrijven en zo’n honderd medewerkers van Most Special Products, ontwikkelt hij attracties en prototypes (van een mobiele parkeergarage tot een “wiegenbed” voor ouderen) en werkt hij twee keer per week in Rotterdam aan een omvangrijk project.

Van der Most’s achtergrond is weinig conventioneel: na haperend schoolverloop en werk als metaalarbeider en onderhoudsmonteur begon hij zelfstandig te klussen en bouwde hij een loopbaan als creatieve ondernemer op. Zijn handelsmerk is het herbestemmen van overbodige of vervallen industriële locaties tot belevenisruimtes: een watertoren werd restaurant, een kernreactorcomplex in Kalkar een attractiepark. Volgens hem heeft zijn ondernemerschap zo’n 2.500 mensen aan werk geholpen — iets waar hij trots op is.

Tegelijkertijd ziet hij dat de tijden veranderd zijn. Waar hij vroeger zonder veel regels kon handelen, ervaart hij nu een bureaucratische cultuur die ondernemen bemoeilijkt: vergunningen, milieu- en Natura2000-beperkingen, en een overvloed aan adviesbureaus en ambtenaren. Die tegenzin tegen “praters” en bureaucratie voert terugkerend door zijn verhaal: volgens Van der Most worden veel middelen onnodig opgeslokt door overheidsapparaten en tussenpersonen, terwijl ondernemers de belastinginkomsten opbrengen die salarissen en voorzieningen financieren.

Die botsing met regelgeving speelt ook centraal in zijn huidige grootste klus: Rivoli, een pretpark op een terrein van een oude afvalcentrale in Rotterdam dat hij in 2013 kocht. Wat aanvankelijk een veelbelovend project leek — en waar de gemeente hem aanvankelijk met open armen ontving — dreigt te verzanden door steeds hogere investeringen (van gepland 15 miljoen naar uiteindelijk circa 50 miljoen) en door een knellende deadline van de gemeente voor een openingsdatum. Omdat de gemeente de erfpachtovereenkomst niet verlengt zolang het park niet open is, vindt Van der Most nauwelijks externe financiers. Hij ervaart dat Rotterdam hem nu “bij de poot” heeft, terwijl hij anders vaak met de rode loper binnen werd gehaald.

Privé is Van der Most sober en direct: geen luxe kantoor, geen chauffeurs, koffie uit een plastic bekertje. Hij woont alleen in Gorssel na een scheiding in 2004 en zegt vrij te zijn van relationele verplichtingen; werken doet hij omdat hij dat wil, niet omdat het moet. Over nalatenschap heeft hij nagedacht: de kinderen krijgen een aandeel, en verder wil hij investeren in technische scholen en vakopleidingen, met bonussen voor jonge vakmensen.

Politiek en maatschappelijk heeft hij een uitgesproken, soms contrasterende visie. Hij wil minder ingewikkelde sociale regelingen en meer verantwoordelijkheid voor individuen en ondernemers; tegelijk vindt hij dat miljonairs best meer belasting mogen betalen omdat de ongelijkheid groeit. Hij zou graag in een zakenkabinet adviseur zijn van de minister van Economische Zaken — bij voorkeur om “doeners” meer invloed te geven en de overdaad aan rapportages en adviesbureaus terug te dringen.

Kortom: Van der Most blijft een hands-on, inventieve ondernemer die blijft pionieren met herbestemming en nieuwe attracties, maar hij botst steeds vaker op een moderne bureaucratie die zulke projecten complexer en duurder maakt. Zijn lopende strijd met Rotterdam rond Rivoli illustreert hoe een gedreven bouw- en recreatie-ambitie kan vastlopen op regelgeving, financiering en gemeentelijk beleid — en waarom hij blijft pleiten voor minder praten en meer doen.