Hemelse stemmen
In dit artikel:
Onze neiging tot ranglijsten — beste zangeres, beste band, beste liedjes — is een plezierige maar misleidende manier om muziek te ordenen. De tekst stelt dat zulke lijstjes nooit recht doen aan wat écht onvervangbaar is: de werkelijke canon van muzikale meesterwerken die los van mode en persoonlijke smaak voor altijd bewaard zouden moeten blijven. Klassieke componisten (Mozart, Bach, Brahms, Beethoven) en legendarische pop- en jazzfiguren (Aretha Franklin, Nina Simone, James Brown, Stevie Wonder, Marvin Gaye, Miles Davis, Duke Ellington, Charlie Parker, B.B. King, Michael Jackson enz.) illustreren hoe omvangrijk en onbegrensd dat erfgoed is — een top honderd of duizend is steeds ontoereikend.
Het stuk contrasteert ook hoog- en laagculturele voorkeuren: in sommige werkomgevingen klinkt menig kantoor de smartlappen van André Hazes als achtergrondmuziek weg, terwijl zulke registers elders als belangrijk en geliefd gelden. Zelfs iconen als Elvis kunnen buiten de “hemelse” canon vallen, afhankelijk van de criteria die men hanteert. De enige remedie tegen het filosofische gepieker over smaken blijft volgens de auteur: luisteren — jezelf verliezen in die stemmen en melodieën.
Verschillende hedendaagse en oudere voorbeelden worden genoemd om te laten zien hoe geluiden en teksten emoties oproepen. Zo wordt het nieuwe, scherp geproduceerde jaren‑tachtigachtige gitaarwerk van The Beaches en de vocale nalatenschap van The B‑52’s aangehaald als illustraties van hoe pop met ironie en overdrijving kan werken. Een vergelijking met de grove hyperbolen van stand‑upcomedy (Andrew Dice Clay) benadrukt het effect van retorische overdrijving, maar dan binnen muzikale omlijsting.
De meest uitgewerkte casus in de tekst is het lied Avalon, gezongen door Bryan Ferry (bekend van Roxy Music) — een weemoedige, zwoele song die de mythe van het eiland Avalon oproept en daarmee thema’s van paradijs, verlangen en mystiek verkent. De schrijver vraagt zich af of Ferry een eenvoudige ‘morning after’ bezingt of iets veel diepzinnigers; de song levert beeldrijke, bijna hallucinatoire associaties op die de menselijke behoefte aan een Elysium weerspiegelen.
Tenslotte reflecteert de tekst breder: elk volk kent zijn Eden‑achtige beelden en daarmee een collectief wensdenken over eeuwige zaligheid dat soms voortkomt uit angst voor de dood. De auteur merkt op dat muzikanten als Ferry zelden in abstracte filosofie vervallen maar eerder poëtisch blijven, en besluit met een lofzang op muziek als hemels vervoermiddel — een kracht die consigliaert tot luisteren in plaats van eindeloze classificatie.