Heimwee naar de Molukken bleef

maandag, 16 maart 2026 (20:38) - Reformatorisch Dagblad

In dit artikel:

Op 21 maart 1951 liep het vrachtt- en passagiersschip SS Kota Inten de haven van Rotterdam binnen met de eerste grote groep Molukse KNIL-militairen en hun gezinnen aan boord — een van in totaal twaalf transporten in vier maanden die ongeveer 3.500 van de uiteindelijk zo’n 12.500 aangekomen Ambonezen naar Nederland brachten. Zij waren vertrokken omdat zij zich niet wilden scharen onder de pas onafhankelijk geworden Indonesische republiek; op 25 april 1950 was de Republik Maluku Selatan (RMS) uitgeroepen, maar Jakarta accepteerde geen zelfstandige Zuid-Molukken.

De aankomst was in eerste instantie gepresenteerd als tijdelijk. Veel Molukkers gingen ervan uit dat ze na korte tijd naar huis terug zouden keren; anderen zagen de overtocht zelfs als een kans om Europa te zien. Die verwachting sloeg snel om in verontwaardiging toen zij bij binnenkomst opeens uit het KNIL werden ontslagen — vaak met een summier formulier zonder persoonlijke gegevens — en ondergebracht werden in voormalige kampen zoals Vught (Lunetten) en Westerbork (Schattenberg) of in tientallen andere noodlocaties en later in speciaal gebouwde woonwijken. De demobilisatie en het gevoel van verraad leidden tot diepe frustratie binnen de gemeenschap.

In de jaren daarna bouwden Molukse Nederlanders een eigen kerkelijk en verenigingsleven op, maar ook sociaal-economische tegenstellingen en het gebrek aan perspectief op terugkeer naar de Molukken vergrootten de onvrede. De politiek en maatschappelijke spanningen escaleerden in de jaren zeventig: Molukse jongeren pleegden een reeks gijzelingsacties en treinkapingen — onder andere in Wijster (1975), De Punt (1977) en een gijzeling van een school in Bovensmilde — die eindigden met geweld van de kant van de staat en zwaardere straffen voor daders. Eerder, in 1970, leidde een aanval op de woning van de Indonesische ambassadeur in Wassenaar tot internationale aandacht en een dodelijk slachtoffer onder de politie.

De Nederlandse overheid reageerde met beleid gericht op integratie en het terugdringen van achterstanden: de zelfzorgregeling van 1956 maakte de Molukkers economisch zelfstandig, vanaf 1960 werden ruim zestig woonwijken gebouwd en in 1978 volgde de Molukkersnota met maatregelen op onderwijs, werk en huisvesting. In 1986 bevestigden overheid en Molukse vertegenwoordigers in een gezamenlijke verklaring de bijzondere positie van de KNIL-militairen en de noodzaak van sociale maatregelen. Pas na circa dertig jaar veranderde de perceptie van deze groep volgens onderzoekers van balling naar migrantenstatus.

De gemeenschap bleef politiek en cultureel actief. Jaarlijks herdenken Molukkers op 25 april de proclamatie van de RMS; die herdenking is op de Molukken zelf vrijwel onmogelijk omdat het openbaar hijsen van de RMS-vlag er strafbaar is. Cijfers over de omvang van de Nederlandse Molukse populatie lopen uiteen: het CBS schatte in 2018 circa 71.000 personen; Molukse bronnen noemen tot circa 95.000. Naar schatting woont een derde van hen nog in ongeveer 45 overgebleven Molukse wijken; gemeentelijk beleid ten aanzien van die wijken verschilt sterk en is mede afhankelijk van lokale kennis en politieke goodwill.

Het verlangen naar zelfbeschikking en kritiek op de Indonesische staat blijven levend binnen delen van de diaspora. De regering in ballingschap van de RMS en haar president-in-ballingschap benadrukken in recente boodschappen de voortgaande onderdrukking in delen van Indonesië en zien politieke kansen op lange termijn voor de RMS, mits de Molukse gemeenschap daar zelf door inzet en volharding voor blijft strijden. De geschiedenis van de komst in 1951 — van hoop en belofte naar ontheemding, maatschappelijke strijd en vormen van erkenning — vormt het onderwerp van een lopende artikelserie over de Molukse komst naar Nederland.

BEKIJK OOK:

Vandaag Inside Oranje: Superfan Willy (79) in zonnetje gezet bij Vandaag Inside Oranje: ‘Hartstikke bedankt voor alles!’