De eerste gevangene die Hans Barendrecht bezocht, was een verkrachter: „Hij vroeg: Begrijp je mij?"
In dit artikel:
Hans Barendrecht, oprichter van Gevangenenzorg Nederland, vertelt over dertig jaar bezoekwerk in Nederlandse gevangenissen en de drijfveren daarachter. Zijn eerste bezoek, dertig jaar geleden, was aan een man uit Zoetermeer die justitiële verhalen en details kon navertellen; die overeenkomst maakte het bezoek intens en persoonlijk. Barendrecht ziet gevangenen niet als verdachte dossiers of te veroordelen cases, maar als medemensen die hun verhaal kwijt moeten kunnen — ook als ze schuldig zijn of hun onschuld volhouden.
Hij beschrijft een praktijk waarin luisteren centraal staat. Bezoekers vragen niet meteen naar geloofsovertuigingen, noch drukken ze direct een Bijbel in handen; in plaats daarvan tonen ze zorg door aanwezig te zijn, hulp te bieden en ruimte te geven voor reflectie. Barendrecht koos bewust voor detentiediaconaat: handen uit de mouwen en handen gevouwen. Dat betekent zowel concrete ondersteuning als gebed. Op het kantoor start men elke werkdag met gebed voor gevangenen en de meer dan 600 vrijwilligers die dagelijks werken met gedetineerden.
Praktijkvoorbeelden illustreren zijn benadering. Een man die geen schuld zag of voortdurend zijn onschuld beweerde, werd door Barendrecht uitgedaagd om na te denken over hoe hij zichzelf zou verhouden tot het feit dat hij opgesloten zat — los van de vraag of hij werkelijk schuldig was. De organisatie zoekt geen juridisch oordeel maar helpt mensen verantwoordelijkheid te nemen voor hun leven en keuzes.
Barendrecht schetst ook hoe anders het is om écht opgesloten te zitten dan het beeld dat velen hebben van humane gevangenissen. Hij zat zelf drie dagen in de gevangenis van Dordrecht bij de opening en ervoer het strakke dagprogramma, gebrek aan privacy en de continue afhankelijkheid van cipiers. Hij vergelijkt gevangenisleven met de beklemming die velen tijdens corona voelden, en zegt dat gevangeniservaringen vaak veel zwaarder zijn: kleine cellen, gedeelde afdelingen, voortdurende alertheid en weinig comfort.
Het opbouwen van vertrouwen met justitiële instanties kostte tijd. Aanvankelijk stond men wantrouwend tegenover een christelijke organisatie in seculiere gevangenissen, maar door consequent betrouwbaar werk kreeg Gevangenenzorg geleidelijk toegang. Barendrecht refereert aan zijn motivatie uit het evangelie — met name Matteüs 25 — en aan invloed van literatuur (Bonhoeffer), maar benadrukt dat zijn inzet geen romantische roeping was: het werk kent ook zware, oncomfortabele kanten.
Kritisch is hij over de kerk: veel parochies geven geld en vrijwilligers, maar predikanten bidden zelden voor gevangenen, zeker niet voor degenen veroordeeld voor ernstige misdrijven. Voor Barendrecht maakt het christelijk geloof het verschil juist in barmhartigheid boven het toewijzen van schuld.