Halsema wil dat Amsterdam opkomt voor gestigmatiseerde gelovigen en herhaalt belang scheiding kerk en staat
In dit artikel:
Burgemeester Femke Halsema pleit ervoor dat Amsterdam religieuze gemeenschappen niet alleen faciliteert, maar ook actief beschermt tegen uitsluiting en stigmatisering. In een conceptnotitie over de scheiding van kerk en staat kiest zij voor wat ze noemt “inclusieve neutraliteit”: de overheid geeft ruimte aan geloofsgroepen, betrekt hen bij de stad en komt op voor hun gelijkwaardige behandeling in het publieke leven.
De notitie, die afgelopen week ter feitelijke controle naar vertegenwoordigers van religieuze instellingen ging, is ingegeven door een eerder dit jaar verstuurde brandbrief van tientallen kerkleiders over gebrek aan ruimte voor kerken en andere geloofsgemeenschappen in Amsterdam. Halsema reageert daarmee op een lopend debat in de gemeenteraad waarin wethouder Rutger Groot Wassink eerder stelde dat het geen taak van de gemeente is religieuze instellingen te helpen bij huisvesting.
Halsema trekt die lijn rechtserom: religieuze organisaties vervullen volgens haar een belangrijke maatschappelijke functie en voelen zich vaak onderkend. De gemeente kan volgens de notitie meehelpen bij huisvestingsvragen, meedenken over nieuwe locaties en zelfs leegstaande kerkgebouwen aankopen en herbestemmen zodat andere religieuze groepen er nog gebruik van kunnen maken.
In de notitie neemt Halsema afstand van opmerkingen van enkele kabinetsleden na de ongeregeldheden rond de wedstrijd Ajax–Maccabi Tel Aviv in november 2024. Ze noemt namen — vicepremier Mona Keijzer en staatssecretaris Jurgen Nobel — en wijst erop dat zij moslims deels verantwoordelijk hielden zonder aanwijzingen; zulke uitspraken noemt Halsema discriminerend of ten minste uitsluitend. Volgens haar ondermijnt stigmatisering door overheidsfunctionarissen de gelijkwaardigheid van gelovigen, en daarom moet de stad daar publiekelijk tegen optreden.
Opvallend is Halsema’s stelling dat het college zich ook kan uitspreken als er juridisch geen titel is om maatregelen te nemen of wanneer er geen strafbare feiten zijn. Daarmee geeft Amsterdam zichzelf een ruimere publieke rol dan louter handhaven van wetten: de stad ziet zichzelf als voorvechter van groepen die worden gestigmatiseerd.
Tegelijk trekt de notitie heldere grenzen aan religieuze vrijheid: zolang volwassenen vrijwillig kiezen voor religieuze regels en gebruiken — zoals gescheiden gebedsruimten — grijpt de overheid niet in. Zodra individuele grondrechten echter in het geding komen (bijvoorbeeld door verbod op homoseksualiteit, pogingen tot zogeheten ‘homogenezing’, bedreiging van afvalligen of ernstige beperkingen van de vrijheid van vrouwen), kiest Amsterdam consequent voor de bescherming van het individu boven de gemeenschap.
Verder spreekt Halsema opnieuw uit dat religieuze uitingen binnen overheidsfuncties ruimte moeten krijgen: ambtenaren en handhavers moeten bijvoorbeeld een keppel of hoofddoek kunnen dragen zolang veiligheid en herkenbaarheid niet worden aangetast. Dat staat haaks op het kabinet, dat werkt aan een verbod op religieuze tekens bij boa’s.
De definitieve versie van de notitie wordt later met een raadsbrief aan de gemeenteraad voorgelegd. Halsema kiest hiermee voor een koers waarin religie zichtbaar en gelijkwaardig deel uitmaakt van het publieke domein, met een actieve gemeentelijke rol tegen stigmatisering en met duidelijke waarborgen voor individuele rechten.