Halbo Kool uit Groningen was een groot poëzietalent, maar zijn leven kende een tragisch einde
In dit artikel:
Halbo C. Kool (1907–1968) wordt in Niels Bokhoves omvangrijke biografie Achter zich de grote dromen uit de vergetelheid gehaald als meer dan het tragische icoon dat latere schrijvers en een liedtekst van Lennaert Nijgh van hem maakten. Kool groeide op in Groningen, hield niet van school maar van lezen en schrijven, en werd als tiener op internaat ontdekt als dichterlijk talent. In plaats van een groot eigen oeuvre bouwde hij echter aan de literaire infrastructuur van zijn tijd: hij redigeerde tijdschriften, gaf anderen een podium, stelde bloemlezingen samen en vertaalde grote namen als Victor Hugo, Rimbaud, Sartre en Orwell.
Bokhove, die Kool ontdekte nadat hij een 1947-nummer met een door Kool bewerkte Kafkavertaling vond, besloot de dichter uitgebreid te reconstrueren. De bijna 950 pagina’s tellende biografie richt zich niet alleen op het individuele leven, maar ook op het culturele klimaat van het interbellum en de decennia erna. Kool’s netwerk strekt zich uit van lokale Groningse collega’s (Hendrik de Vries, Ab Visser) tot landelijke literaire figuren als Hendrik Marsman, Menno ter Braak en Gerard Reve — en illustreert hoe hij vaak anderen verder hielp terwijl zijn eigen poëzie naar de achtergrond raakte.
Tijdens de jaren dertig werkte Kool voor linkse media zoals Het Volk en bij uitgeverij De Arbeiderspers; later was hij betrokken bij de ontwikkeling van De Bezige Bij en hielp hij in de Tweede Wereldoorlog ondergedoken kunstenaars aan middelen en papier, onder meer voor het illegale Vrij Nederlandsch Liedboek. Tegelijkertijd worstelde hij privé: Bokhove schetst hem als extravert en loyaal maar labiel, met meerdere huwelijken en kinderen bij verschillende vrouwen. Zijn gedrag leverde hem regelmatig tegenstanders op; conflicten kostten hem banen en droegen bij aan toenemende alcoholgebruik en een zich openbarende bipolaire stoornis.
Kools levensloop eindigt tragisch. Na jaren van depressies en terugkerende zelfmoordneigingen maakte hij op 30 mei 1968 een einde aan zijn leven; zijn lichaam werd gevonden bij Kortenhoef. Bokhove wijst erop dat eerdere portretten — waaronder interpretaties in Jeroen Brouwers’ werk — te eenzijdig waren en wil met zijn boek een vollediger, rechtvaardiger beeld geven. Hij vergelijkt Kool met een sherpa: iemand die anderen naar de top helpt en daarom ook historische erkenning verdient.
Achter zich de grote dromen (Niels Bokhove, In de Knipscheer, 944 blz.) beoogt die erkenning te verschaffen en plaatst Kool als belangrijke, veelal ondergewaardeerde gangmaker in de Nederlandse letteren. Mocht u zelf met suïcidale gedachten worstelen of zich zorgen maken over iemand: bel 113 (24/7) of ga naar 113.nl.
Vandaag Inside Oranje: Johan Derksen over nieuwe stikstofplannen: 'Ik blijf het oneerlijk vinden'