Groepssterfte bij zwaluwen toont gaten in toelating pesticiden
In dit artikel:
In de zomer van 2021 vonden vogelringers bij de Haarrijnse Plas (Utrecht) ongeveer dertig dode oeverzwaluwen en vijftien ernstig zieke vogels met neurologische verschijnselen (zwalken, vreemde houding van vleugels en nek, uitpuilende ogen). Twee jaar later werden in een paardenstal bij Noordwijk een dozijn dode boerenzwaluwen aangetroffen. Aanvankelijk werd vogelgriep vermoed, maar virologisch en pathologisch onderzoek leverden geen verklaring; uiteindelijk richtten toxicologen van Wageningen UR zich op de zaak.
Analyse gepubliceerd eind maart 2026 in Environmental Chemistry and Ecotoxicology wees uit dat alle onderzochte vogels hoge concentraties van twee pyrethroïde-insecticiden, permethrine en tetramethrine, droegen — vooral op de veren en in de hersenen. De gebruikelijke indicatoren voor orale opname (lever en maag) waren niet verhoogd, wat er volgens de onderzoekers op wijst dat blootstelling vooral via inademing of huidcontact heeft plaatsgevonden, niet via voedsel. Dit verklaart ook de acute neurologische symptomen en de snelle sterfte.
Belangrijk is dat beide middelen in de landbouwpraktijk (permethrine al ruim twintig jaar; tetramethrine nooit) als onacceptabel voor het milieu zijn beoordeeld door het Europese Chemicals Agency. Toch blijven ze beschikbaar voor particuliere toepassingen: onder meer antivlooienmiddelen, sprays tegen wespen of houtworm en andere biociden kunnen deze stoffen bevatten. In het Noordwijkse geval past de verhoudingsgewijs gevonden mix bij een spraywolk — mogelijk zijn de zwaluwen daar door een antivlooienspray of bestrijding van een wespennest gevlogen — maar voor de oeverzwaluwen blijft de exacte bron onduidelijk.
De studie wijst op een bredere tekortkoming in risicobeoordelingen: huidige toelatings- en testprocedures focussen veelal op opname via voedsel en op levermetabolisme, en toetsen inhalatie- en huidblootstelling nauwelijks. Daardoor kunnen stoffen die in laboratoriumtests als ‘veilig’ gelden in het veld wél acute schade veroorzaken, zeker wanneer jonge of kwetsbare dieren zich in of nabij behandelde plaatsen bevinden. Wageningen-onderzoekers en Vogelbescherming pleiten dan ook voor herziening van toelatingsregels, met aandacht voor andere blootstellingsroutes en voor gecombineerde effecten van meerdere middelen.
Vogelbescherming noemt de vondsten een waarschuwingssignaal binnen een veel groter probleem: intensief gebruik van bestrijdingsmiddelen draagt sterk bij aan de achteruitgang van weide- en landbouwvogels in Europa. De casus van de zwaluwen illustreert hoe snel en onzichtbaar vergiftiging kan optreden en waarom veldgegevens essentieel zijn om risico’s beter te begrijpen.