Groepssterfte bij zwaluwen toont gaten in toelating pesticiden
In dit artikel:
In de zomer van 2021 vonden vogelringers bij de Haarrijnse Plas (bij Utrecht) dertig dode oeverzwaluwen en vijftien ernstig zieke vogels met vreemde neurologische symptomen. Twee jaar later werden in een paardenstal in Noordwijk ongeveer twaalf dode boerenzwaluwen aangetroffen. Aanvankelijk werd vogelgriep vermoed, maar virologisch en pathologisch onderzoek bracht geen oorzaak aan het licht. Toxicologen van Wageningen UR ontdekten uiteindelijk de verklaring: beide massale sterfgevallen waren het gevolg van acute vergiftiging door twee insecticiden, permethrine en tetramethrine.
De onderzoekers vonden zeer hoge concentraties van beide stoffen op de veren en in de hersenen van de vogels, terwijl lever- en maagwaarden niet verhoogd waren. Dat patroon wijst erop dat de blootstelling plaatsvond via inademing of opname over de huid – niet via voedsel. De verhouding tussen de twee middelen doet bovendien vermoeden dat de vogels door een spraywolk zijn gevlogen; in Noordwijk zou dat bijvoorbeeld een antivlooienspray of een bestrijding van een wespennest kunnen zijn geweest. Voor de oeverzwaluwen bij de plas blijft de exacte bron echter onduidelijk.
Permethrine en tetramethrine behoren tot de groep pyrethroïden en worden in EU-beoordelingen niet langer als toelaatbaar geacht voor gebruik in de landbouw; tetramethrine was nooit voor akkerbouw toegestaan en permethrine is daar al ruim twintig jaar verboden. Toch zijn beide middelen nog vrij verkrijgbaar voor particulier gebruik als biocide (bijvoorbeeld tegen houtworm, wespen, motten) en kunnen ze ook in sommige diergeneesmiddelen voorkomen. Volgens de Wageningse onderzoekers en Vogelbescherming Nederland zijn huidige toelatingsprocedures te sterk gericht op opname via voedsel: inhalatie- en huidblootstelling worden onvoldoende getest, terwijl die routes in het veld snel kwetsbare organen kunnen bereiken en acute neurologische effecten kunnen veroorzaken.
Vogelbescherming noemt de bevindingen geen op zichzelf staande incidenten maar een symptoom van een groter probleem: de intensieve landbouw en het veelvuldige gebruik van bestrijdingsmiddelen spelen een belangrijke rol in de achteruitgang van weide- en akkerlandvogels. Ook wijst men op het verschil tussen laboratoriumtests met proefdieren en complexe blootstellingsomstandigheden in het wild, waardoor risico’s kunnen worden onderschat.
De onderzoekers pleiten voor een herziening van toelatingsregels: testen moeten ook inhalatie- en huidroutes omvatten en aandacht hebben voor combinaties van stoffen die elkaar versterken. De zaak van de zwaluwen geldt als waarschuwing dat middelen die op papier “niet schadelijk” zijn voor vogels onder praktische omstandigheden toch dodelijk kunnen blijken.