Goede politieke journalistiek bestaat bij de gratie van dat ongrijpbare stelsel van fatsoensnormen tussen media en politiek
In dit artikel:
Op 26 maart ontving politiek journalist Coen van de Ven de Anne Vondelingprijs; zijn aanvaardingsspeech werd op 29 maart 2026 uitgesproken. De jury roemde hem om het schrijven van “alle grote verhalen van de recente politieke tijd”, maar Van de Ven gebruikte de gelegenheid vooral om een bredere diagnose van de huidige politieke en journalistieke cultuur te geven.
Hij begon bij een recent incident waarbij een Kamerlid collega-dagbladredacties openlijk beledigde en zo met grove taal het debat binnendrong. Voor Van de Ven illustreert dat geen incident, maar een symptoom: taalgebruik in de Kamer is geen vrijblijvende stijlkeuze meer, maar vormt het eerste wapen in het uithollen van democratische normen. Hij verwees naar Anne Vondeling, naar wie de prijs is vernoemd, en diens streven naar heldere, begrijpelijke taal als middel om democratie te versterken in plaats van te ondermijnen.
Van de Ven blikt terug op zijn eigen motivatie toen hij 4,5 jaar geleden vanuit De Groene Amsterdammer naar Den Haag ging: fris blijven, nieuwsgierig blijven, en niet vervallen in cynische routine. Die houdingsvraag werd concreet tijdens de jaren van kabinet Schoof, die hij omschrijft als het minst productieve kabinet van deze eeuw: veel reuring, weinig echt beleid, en toenemende journalistieke uitputting. Hij zegt dat de gevoelige momenten in die periode niet alleen voortkwamen uit sleetsheid, maar uit het feit dat politiek steeds minder de moeite nam om journalistieke onthullingen serieus te beantwoorden. Daardoor ontstond volgens hem een “journalistieke woestijn”: er werd wel geschreven, maar de politieke kant deed steeds minder mee.
Een centraal punt in de toespraak is de afhankelijkheid van journalistiek van de bereidheid van machthebbers om te reageren. Van de Ven citeerde Geert Mak’s metafoor dat journalisten spionnen van de koning zijn — bedoeld als beeld van waakzaamheid en het oproepen van aandacht, niet van collusie. Die wederzijdse rolverdeling vereist professionele afstand, maar ook een impliciete afspraak om elkaar serieus te nemen. Daarom verzet hij zich tegen het idee van ‘constructieve journalistiek’: juist de botsing tussen politiek en pers, mits met respect, levert volgens hem de beste democratische controle op.
De prijs geldt onder meer voor Van de Vens stuk over de linkse fusie, zijn verslaglegging van de val van Pieter Omtzigt, de vernieuwing bij D66 onder Rob Jetten en de heropleving van het CDA onder Henri Bontenbal. Wat al deze reportages verbond, constateert hij, is dat politici zich lieten bevragen en openbaren — en dat die openheid essentieel is voor journalistiek werk.
Toch is Van de Ven niet pessimistisch over het hele politieke bestel: hij benadrukt dat de meerderheid van de Nederlandse politiek nog steeds uit democraten bestaat en dat deuren — zelfs na kritische vragen — vaak open blijven. Zijn slotboodschap is waakzaam: beledigende en polariserende taal is toegestaan, maar het ondermijnt langzaamaan het fatsoen en de mechanismen waardoor democratie en journalistiek elkaar scherp houden. Taal is het eerste wapen; de daadwerkelijke schade volgt later.