Gezondere samenleving begint bij de jeugd: „Vroeger kregen we alleen op zaterdag een schoteltje chips en een glaasje fris"

vrijdag, 13 februari 2026 (19:52) - Reformatorisch Dagblad

In dit artikel:

„Een koe eet niet twee dagen vooruit,” gebruikt prof. Jaap Seidell (Vrije Universiteit Amsterdam) om uit te leggen waarom mensen anders met eten omgaan dan dieren: ons vermogen om te anticiperen leidt tot hamstergedrag en vetopslag die in tijden van overvloed tegen ons keren. In zijn boek Grenzen aan de gulzigheid. Gezond eten in een ziek systeem (verschijnt 19 februari, Atlas Contact) analyseert hij de oorzaken van de groeiende epidemie van welvaartsziekten zoals obesitas en schuift beleidsvoorstellen naar voren.

Seidell plaatst obesitas niet langer als typisch „welvaartsziekte” van rijke mensen: tegenwoordig is overgewicht juist geconcentreerd in de laagste sociaaleconomische groepen, vooral in achterstandswijken. Dat verklaart hij aan de hand van meerdere factoren: het supermarktassortiment bestaat grotendeels uit calorierijke, bewerkte producten (ongeveer 80% volgens hem), voedselbanken geven hoofdzakelijk houdbare producten, en aanbiedingen richten zich vaak op snoep en snacks. Bovendien zijn groenten relatief goedkoop per stuk maar duur per calorie, wat mensen met beperkte middelen stimuleert om goedkopere, energie-dichte voeding te kiezen. Culturele opvattingen over lichaam en gezondheid en een verkeerd beeld van een gezond gewicht spelen ook een rol.

Psychologische en omgevingsfactoren versterken het probleem: armoede, stress en onzekerheid maken het moeilijker om in de lange termijn te investeren in gezondheid. Seidell wijst op schrijnende gezondheidsverschillen: een gat van acht à negen jaar in levensverwachting en tot bijna twintig jaar verschil in gezonde levensverwachting tussen rijk en arm. Dat maakt preventie urgenter dan een puur individuele morele verantwoordelijkheid.

Voor oplossingen pleit hij voor overheidsgrepen naast persoonlijke verantwoordelijkheden. Concreet wil hij onderwijs over voeding en etiketten, kooklessen en gezonde schoollunches. Hij verwijst naar een proef (2010–2011) op negen Amsterdamse basisscholen waar gezonde lunches haalbaar en gewaardeerd bleken. Sinds maart 2023 loopt het Programma Schoolmaaltijden voor scholen met ten minste 30% leerlingen uit lagere-inkomenshuishoudens: bijna 1.800 scholen bieden nu een gratis maaltijd, 700 scholen een boodschappenkaart. Toch blijft Nederland volgens Seidell achter bij landen als Frankrijk, waar leerlingen vijf dagen per week een uitgebalanceerde driegangendagmenu krijgen.

Structurele belemmeringen komen ook uit schoolorganisatie en commercie: continuroosters met korte middagpauzes beletten rustig en gezond lunchen; bedrijven hebben veel invloed bij beleidsgesprekken en beschermen commerciële belangen vaker dan volksgezondheid. Seidell vindt dat de industrie wel mag meedenken over uitvoering (bijv. gezonde aanbiedingen, productreformulering) maar niet over het vaststellen van regels zoals een verbod op kindermarketing.

Zijn oproep aan politiek en coalitie: investeer in preventie en herstel financiering voor organisaties als het Voedingscentrum en RIVM. Obesitas bedreigt niet alleen individuele gezondheid maar ook maatschappelijke weerbaarheid — hij waarschuwt voor effecten zoals verminderde geschiktheid voor militaire dienst. Ten slotte benadrukt Seidell het belang van een kindvriendelijke leefomgeving: veilige straten, buitenspelen en matiging van suikerhoudende dranken — nu drinken tieners volgens hem gemiddeld te veel frisdrank — zodat gulzigheid niet de norm wordt.