'Geweldige fabrieken in Auschwitz'. Lucas schrijft boek over briefjes die Joden uit de trein van Westerbork naar de concentratiekampen gooiden
In dit artikel:
In luwektreinen naar de vernietigingskampen werden tussen 1940 en 1945 duizenden kleine briefkaarten gegooid — soms per ongeluk, vaak uit wanhoop — met laatste groeten van Joden, dwangarbeiders en gevangenen. Dat materiaal vormt de kern van Lucas Ligtenbergs boek Van hier de laatste groeten, waarin hij brieven en kaartjes verzamelt en de omstandigheden rond deportaties via Kamp Westerbork belicht.
Een concreet voorbeeld: op 14 augustus 1942 glijdt een kaartje uit een goederenwagon vol gedeporteerden en belandt in de tuin van Klaas en Cornelia De Grijs in Haren. De kaart werd door het echtpaar op de post gedaan, zoals vaker gebeurde; hun kleinzoon Jeroen bewaart nog herinneringen aan de aangrijpende tekst. Een ander verhaal betreft Sara Davidson-Vet, opgepakt tijdens de grote razzia van 6 augustus 1942 (de ‘Razzia der 2000’). Zij wurmt in de trein een laatste briefkaart door de planken, hopend dat het bericht Amsterdam bereikt — maar de meeste afzenders zagen hun woorden nooit beantwoord, omdat bijna niemand van de transporten terugkwam.
Ligtenberg schat dat er circa 15.000 van zulke kaartjes bestaan; hijzelf kent er ongeveer driehonderd en ontvangt nog tips over nieuwe vondsten. De kaarten geven unieke getuigenissen: over de afschuwelijke omstandigheden in de wagons (soms slechts een ton als toilet, een zakje zand om uit te strooien, overbevolkte coupés), over de onzekerheid en het vaak doelbewust gerust houden van achterblijvers met woorden als “flink”, en over wat mensen wél konden waarnemen tijdens korte, angstige haltes langs het spoor.
Sommige briefjes bevatten verhulde boodschappen of spitsvondige woordspelingen om te waarschuwen zonder openlijk te zeggen wat er speelde — zoals een ondertekening met ‘Ellen de Groot’ (lees: ellende groot) of verwijzingen die in andere talen ‘te erg’ betekenen. Er waren ook kaartjes die door terugkerende treinen en schoonmakers uit de kampwagons naar Westerbork werden teruggesmokkeld, bedoeld om families thuis te informeren. Omdat aankomst vaak in het donker en onder bewaking plaatsvond, werden observaties vaak fout geïnterpreteerd; zo meldde een vrouw Auschwitz bij Gleiwitz en beschreef zij ‘gigantische fabrieken’, terwijl wat ze zag de crematoriumschoorstenen waren.
Het verzamelen en frankeren van deze kaarten was niet ongevaarlijk: Duitsers verboden het oprapen van rondvliegende post, maar veel Nederlanders deden dat toch en zagen het als kleine daad van menselijkheid of verzet. Vindplaatsen zijn vaak Haren, Assen en Hoogezand; kaarten werden soms pas dagen later gepost, waardoor de geadresseerde de schrijver al niet meer levend trof. Sommige kaarten verdwenen na de oorlog in schoenendozen en kwamen pas decennia later tevoorschijn, zoals de afscheidskaart van Emmy Cortissos (18 mei 1943) die via een vondst in Assen uiteindelijk bij haar familie belandde — familieleden die later zelf ook gedeporteerd werden.
Ligtenberg plaatst de briefkaarten ook in bredere context: Westerbork was aanvankelijk bedoeld als vluchtelingenkamp voor Duitse Joden (de locatiekeuze stuitte op tegenstand van autoriteiten en belangenverenigingen), maar werd vanaf 1942 het centrale doorgangskamp van Nederland. Ruim 106.000 Joden, plus Sinti en Roma en enkele verzetsmensen, werden van daaruit naar vernietigings- en concentratiekampen in Oost- en Midden-Europa vervoerd.
Het boek documenteert niet alleen individuele noodkreetjes, maar ook nasleep en nazorg: hoe nabestaanden decennialang leefden met onbekendheid, hoe sommige overlevenden hun eigen geworpen kaarten pas later terugzagen (huisarts Elie Aron Cohen overleefde en herinnerde zich zijn naïviteit), en hoe deze kleine papieren fragmenten het persoonlijke leed en de historische feiten tastbaar maken. Van hier de laatste groeten telt 335 pagina’s en verschijnt bij uitgeverij G.A. Van Oorschot.