Gerardus van Honthorst maakte mensen mooier, waardiger en statiger, in tegenstelling tot zijn concullega Rembrandt

vrijdag, 15 mei 2026 (20:17) - Het Parool

In dit artikel:

Het Centraal Museum in Utrecht toont hoe Gerard van Honthorst zich in Rome ontpopte tot meester van het kaarslicht. De tentoonstelling, samengesteld door conservator Liesbeth Helmus als haar afscheid, brengt een internationaal overzicht van Honthorsts oeuvre bijeen — met bruiklenen uit musea wereldwijd, zoals De bespotting van Christus (ca. 1617) uit Los Angeles — en loopt t/m 13 september.

In de vroege zeventiende eeuw waarschuwde Karel van Mander in zijn Schilder-boeck (1604) voor de gevaren van Italië, maar prees het tegelijk als onmisbare leerschool. De jonge Van Honthorst vertrok circa 1612–1613 vanuit Utrecht, waar hij was opgeleid door Abraham Bloemaert. In Rome trof hij een actieve gemeenschap van Noord-Europese schilders en werd hij sterk beïnvloed door de nalatenschap van Caravaggio: realistische figuren, ruwe trekken en een theatraal gebruik van sterke licht-donkercontrasten (tenebrisme).

Van Honthorst combineerde die dramatiek met de elegante, emotiegerichte aanpak van Bloemaert. Het resultaat waren vooral zijn beroemde nachtstukken: scènes verlicht door kaarsen of fakkels die bijbelse taferelen en genrevoorstellingen een intense, theatrale lading geven. Daardoor kreeg hij later de bijnaam Gherardo delle Notti. De tentoonstelling belicht hoe elementen als lichtval, lichaamshoudingen en expressie samenkomen — bijvoorbeeld in De bespotting van Christus, waar het contrast tussen het felle fakkellicht en de donkere omgeving de psychologische spanning versterkt.

De expositie plaatst Honthorst expliciet tegenover Rembrandt. Beide waren toonaangevende historieschilders en succesvolle ondernemers met grote ateliers, maar hun wegen verschilden: Rembrandt bleef in Nederland en volgde een individuele, realistische visie; Honthorst maakte internationale reizen, werkte veel voor vorsten (met name het Huis van Oranje) en produceerde vaak meer idealiserende, representatieve portretten — een verschil dat zichtbaar wordt in hun beider portretten van Amalia van Solms. Honthorst bleek tevens flexibel in thema’s en smaak: naast ernstige religieuze stukken schilderde hij levendige muziekgezelschappen vol dubbelzinnige verwijzingen naar liefde en verleiding.

Na zijn terugkeer naar Utrecht in 1620 werkte Honthorst zich op tot gevierde schilder met een grote werkplaats, opdrachten uit Engeland en een langdurige relatie met het Haagse hof. Zelfs in zijn late werk bleef de Romeinse invloed merkbaar. Susanna en de ouderlingen (1655), één van zijn laatste grote historiestukken, toont zijn blijvende vaardigheid in het uitbeelden van spanning, macht en kwetsbaarheid — beelden die ook nu nog modern en urgent aanvoelen.

De presentatie in het Centraal Museum is vormgegeven naar de verschillende fases in Honthorsts carrière: van schemerige zalen die het kaarslicht versterken tot statige ruimtes die zijn hofportretten kaderen. Met deze brede aanpak laat de tentoonstelling zien hoe Van Honthorst Romeinse innovatie en Nederlandse traditie wist te verenigen en waarom hij in de zeventiende eeuw zowel nationaal als internationaal een centrale rol speelde.