Genoeg redenen voor herbezinning op boycot tegen Israël
In dit artikel:
De Nederlandse regering stemde op 22 mei in met maatregelen die handelsstromen moeten blokkeren van goederen afkomstig uit Joodse nederzettingen in wat zij als „door Israël bezette Palestijnse gebieden” bestempelt: Judea, Samaria en Oost-Jeruzalem. Die stap vloeit voort uit het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024 en een aansluitende resolutie van de Algemene Vergadering van de VN, die de nederzettingen als illegaal aanwezen en eisten dat de Joodse bewoners uiterlijk 18 september 2025 zouden zijn vertrokken. Volgens de auteur heeft de wereldwijde veroordeling van Israël na de bloedige aanslagen van 7 oktober 2023 veel van dezelfde dynamiek als de antisemitische campagnes uit de jaren dertig en werkt ook Nederland daar nu aan mee; hij haalt als voorbeeld een anti-Joodse boycotactie in Zaandam in juli 1940.
De schrijver betwijfelt zowel de juridische draagkracht als de morele rechtvaardiging van de nieuwe Nederlandse handelsmaatregelen. Hij wijst erop dat het ICJ-advies en Algemene Vergadering-resoluties juridisch niet-bindend zijn: een advies is per definitie niet dwingend en GA-resoluties vormen politieke aanbevelingen. Het hof oordeelde in meerderheid dat de gebieden „bezette Palestijnse gebieden” zijn en dat de nederzettingen in strijd met internationaal recht zijn; die meerderheid gaat echter niet zonder meer voorbij aan substantieel tegengewicht binnen de internationale rechtsorde.
Als alternatief juridisch kader voert de auteur het Palestina Mandaat van 1922 aan, vastgesteld door de Volkenbond, dat volgens hem het hele gebied ten westen van de Jordaan, inclusief Judea, Samaria en het ongedeelde Jeruzalem, bestemde voor een Joods nationaal tehuis en in artikel 6 vestiging en immigratie van Joden garandeerde. Ook noemt hij artikel 80 van het VN-handvest en de afwijkende mening (dissenting opinion) van ICJ-vicepresident Julia Sebutinde, die deze historische en rechtsbeginselen benadrukt en daarmee de rechtsstrijdigheid van het hofadvies nuanceert. Verder betoogt de auteur dat de status van de gebieden sinds 1948 en na de Zesdaagse Oorlog van 1967 complex is: de 1949-wapenstilstandslijnen zijn geen soevereine grenzen, Jordanië annexeerde in 1950 delen en verdreef Joden, en in 1967 kwamen de gebieden onder Israëlische controle terug — een gebeurtenis die volgens hem niet hetzelfde is als het innemen van andermans staatsterrein. Ook de Oslo-akkoorden benoemen niet expliciet de illegaliteit van nederzettingen maar leggen wel veiligheidsverantwoordelijkheid bij Israël.
Politiek-maatschappelijke vragen blijven volgens de auteur onbeantwoord: waarom specifiek Joodse producenten in deze gebieden treffen en niet producenten uit andere betwiste of bezette gebieden (hij noemt Tibet en Noord-Cyprus als voorbeelden)? Gelet op deze juridische en historische argumenten pleit hij voor heroverweging van de voorgenomen boycotmaatregelen. De tekst is geschreven op persoonlijke titel; de auteur is senior fellow bij thinc.