Geloof in de democratie is hard werken - met liefde
In dit artikel:
Democratie kan niet zonder mensen die bewust voor die vorm van samenleven kiezen — en dat veronderstelt een zekere mate van geloof in de democratie zelf. De auteur signaleert dat de afgelopen jaren steeds vaker wordt geschreven over een afnemend vertrouwen in regering, rechtstaat en andere instituties, maar betoogt dat het begrip ‘geloof’ vaker en beter besproken moet worden: het is geen louter religieus of irrationeel verschijnsel.
Twee veelvoorkomende misverstanden worden weggehaald. Ten eerste is geloof niet uitsluitend een godsdienstige aangelegenheid; het omvat ook alledaagse en seculiere vormen: vertrouwen in een partner, in een organisatie, in de rechtspraak, in wetenschap en in democratie als bestuurlijk uitgangspunt. Ten tweede is geloof niet per definitie tegen rede of bewijs; het is geen blind vasthouden aan het ontkrachte, maar een samengestelde houding die rationele overwegingen, emotionele binding en veerkracht combineert.
Volgens de tekst heeft geloof drie kerncomponenten. Allereerst reliance: je moet op iets of iemand kunnen steunen, anders is samenwerken onmogelijk. Ten tweede positive affection: geloof raakt aan betrokkenheid en waardehechting; je geeft erom, en die affectie vertaalt zich vaak in handelen. Ten derde resilience: geloof moet bestand zijn tegen teleurstellingen, kritiek en tegenargumenten; het mag niet bij de eerste tegenslag wegvloeien. Deze drie elementen samen maken geloof tot iets wat rationeel ondersteund kan worden en tegelijk emotioneel motiveert.
De auteur waarschuwt dat die deugd van fides momenteel onder druk staat. Des- en misinformatie, complottheorieën en cynische discoursen trachten vertrouwen in media, wetenschap en rechtspraak uit te hollen. Omdat complotten soms een korrel waarheid bevatten en instituties ook fouten maken, volstaat het niet simpelweg alles af te serveren als onzin; tegelijk is het niet verstandig elk wantrouwen klakkeloos te omarmen. Het gaat erom het onderscheid te kunnen maken tussen gerechtvaardigd kritisch denken en systematisch ondermijnen van legitieme instellingen.
Praktisch gezien vraagt de auteur onderhoud van geloof op drie niveaus. Ten eerste moeten er genoeg burgers zijn die bereid zijn vertrouwen te schenken; een standaardhoudende, voorbarig wantrouwende houding ondermijnt de democratische cultuur. Ten tweede moeten we leren te geloven in mensen en partijen die dat vertrouwen verdienen — zonder hen te idealiseren of boven kritiek te stellen. Als bestuurders of partijen zich onbetrouwbaar tonen, is het terecht het geloof elders te vestigen, maar die wissel moet niet lichtvaardig geschakeld worden. Ten derde moeten we reëel zijn over verwachtingen: geloven in rechters of ministers betekent niet verwachten dat ze alle problemen oplossen of altijd in jouw voordeel beslissen; democratie is compromissen en gedeelde verantwoordelijkheid, geen enkelpartijheerschappij.
Filosofisch wordt geloof uitgelegd als een relationeel verschijnsel: er is een gelovende, een object van geloof en een onderwerp waarover dat geloof gaat. Die drievoudige structuur helpt bij het concretiseren van waar mensen op zouden moeten inzetten als ze democratisch willen leven. Geloof is volgens de auteur een bewuste, geïnformeerde keuze — geen blinde toewijding maar óók niet louter calculerende afstandelijkheid. Het pad tussen emotie en rede moet bewandeld worden: geloof zoekt begrip en vraagt om oefening.
Tot slot een oproep tot handelen: investeer in dialoog, onderhoud vertrouwen waar het terecht is, houd verwachtingen realistisch en wees bereid samen het democratisch project te voeden. Concreet betekent dat onder meer: deelname aan debat en burgerinitiatieven, kritisch en toch welwillend luisteren naar andersdenkenden, en leiders en instituties aanspreken op betrouwbaarheid zonder meteen alles of iedereen te verwerpen. Democratie vraagt actieve burgers — geen blinde gelovigen, maar mensen die wilsbewust en geïnformeerd kiezen om te geloven in de democratie en die bereid zijn dat geloof te onderhouden.