GeenPeil 2016: een middelvinger tegen de gevestigde orde - Constanteyn Roelofs

zaterdag, 4 april 2026 (07:01) - Nijmans Nieuwsbriefje

In dit artikel:

Tien jaar na de bijeenkomst van GeenPeil in Hotel Spaander te Volendam beschrijft Constanteyn Roelofs zijn herinneringen aan de campagne rond het raadgevend referendum over het associatieverdrag met Oekraïne (2016). Hij zat net enkele maanden bij GeenStijl toen hij werd meegesleurd in een brede, onconventionele beweging waarvan de Volendamse bijeenkomst — met Nigel Farage als eregast — het hoogtepunt was. De sfeer: volks, rumoerig en amateuristisch-doortimmerd tegelijk; het publiek bestond uit bloggers, studenten, ondernemers, vakbondsactivisten, cyberactivisten, enkele PvdA’ers en SP’ers, en een bont gezelschap opiniemakers en politieke avonturiers.

Roelofs schetst een beweging die vooral een middelvinger naar de gevestigde orde was: tegen Brussel, tegen de vermeende eenzijdigheid van de media en tegen politieke elite-autoriteit. Het associatieverdrag met Oekraïne diende vooral als aanzet; het doel was breder: democratische verontwaardiging en teruggave van invloed aan “het volk”. Die brede ontevredenheid maakte de campagne vatbaar voor populistische instrumentalisering, maar ook tot een platform waar uiteenlopende achtergronden — van tankstationhouders tot bestuursrechtnerds — samenwerkten. De ondernemers vormden het financiële en logistieke hart: servers, industriële printers, een campagnebus en duizenden liters diesel werden beschikbaar gesteld, waardoor de grassroots-campagne praktisch mogelijk werd.

De bijeenkomst markeerde tevens een mentale breuk bij GeenStijl: het blog trad openlijk als politieke actor naar buiten en nam afscheid van de anonieme, afstandelijke blogcultuur. Die zichtbaarheid had persoonlijke consequenties voor de redactie en veranderde de relatie met lezers en het publieke debat. Roelofs illustreert dat met een anekdote over zijn diner naast Nigel Farage — de mythe van de grote demagoog demystificeert zich aan tafel, maar de symbolische associatie met Europese populisten bleef gevoelig.

Tegelijkertijd was er veel interne spanning. Roelofs, zelf voormalig D66’er en sceptisch over populaire beslissingen over internationale verdragen, voelde zich ongemakkelijk bij de directe democratie die het referendum belichaamde. Desondanks bewonderde hij de participatieve energie en de heterogene samenstelling van de kampioenen van de actie — precies het soort ‘democratie in actie’ dat progressieve elites vaak idealiseren maar in dit geval de verkeerde kant op vonden.

Extern probeerden tegenstanders de beweging vooral te framen als een door Rusland aangestuurde operatie; die suggestie kreeg breed media-aandacht. Roelofs ontkent zelf ooit bewijs voor directe inmenging van het Kremlin te hebben gezien binnen GeenPeil. Hij erkent wel dat sommige andere populistische kringen duidelijk pro-Russische banden vertoonden. Een belangrijk element in de campagne was verder de kritische houding van GeenStijl richting Russische desinformatie, onder meer rond MH17, wat de vermeende vriendelijkheid richting Moskou tegengaf.

Politieke elites reageerden aanvankelijk lauw — niet geïnteresseerd genoeg om de straat op te gaan voor het verdrag — waardoor GeenPeil veel ruimte kreeg. Het referendum resulteerde in een nee-stem, maar de regering onder Mark Rutte legde de uitslag naast zich neer en tekende toch, met een summier “inlegvelletje” als levensmiddel om kiezers gerust te stellen. Die belofte bleek hol; volgens Roelofs zette de Europese integratie door en herhaalde het patroon van 2005 toen een referendum over de Europese grondwet door de elite werd genegeerd.

KeinePeil probeerde de energie politiek te verzilveren door als partij mee te doen in 2017, met het idee permanente referenda in de Kamer te initiëren. Dat mislukte; de partij bleef electorale stemmen schuldig en het initiatief viel uiteen. De bredere coalitie van vrijwilligers, ondernemers en internetmiljonairs loste op in persoonlijke ambities en interne verdeeldheid. Enkele betrokken kopstukken vervolgenden politieke carrières bij andere partijen, maar veel van de opgebouwde samenwerking verdween.

De nasleep trof ook GeenStijl zelf: het medium was niet meer louter een kritische buitenstaander maar een speler geworden, wat het onuitgesproken contract met lezers en de eerder gehuldigde journalistieke zuiverheid verbrak. Roelofs reflecteert op de bredere trend dat journalistiek en politiek zich steeds meer vermengen via sociale media — een ontwikkeling die populisme versterkt door directe communicatiemiddelen te koppelen aan politieke mobilisatie.

In bredere context plaatst hij deze episode naast grotere populistische gebeurtenissen van dat jaar (Brexit, Trump) en concludeert dat het referendum in internationaal perspectief klein was, maar in Nederland een blijvende vertrouwensbreuk tussen publiek en politiek veroorzaakte. De latere Russische invasie van Oekraïne (vanaf februari 2022) nuanceert achteraf de houding tegenover Oekraïne en maakt veel eerdere afstandelijkheid pijnlijk, aldus Roelofs: de geopolitieke werkelijkheid veranderde de blik op het onderwerp.

Roelofs eindigt met gemengde gevoelens: hij blijft kritisch op volksmenners en snobistisch tegenover sommige populistische reflexen, maar ook op afstand van de progressieve elites die zich na het referendum terugtrokken uit echte experimenten met directe democratie. Voor hem illustreert GeenPeil zowel de potentie als de beperkingen van een heterogene, online-gestuurde politieke mobilisatie: veel energie en zichtbaarheid, maar weinig blijvende institutionele impact.