Gedoe en leegloop kenmerkten tot nu toe de enquêtecommissie Corona - daarom is de rol van de voorzitter nu heel belangrijk
In dit artikel:
Nog voordat de openbare verhoren vrijdag van start gaan, kampt de parlementaire enquêtecommissie Corona met grote personele instabiliteit: meer (oud-)leden zijn vertrokken dan er momenteel actief zijn. In de afgelopen twee jaar hebben negen (oud-)Kamerleden korter of langer in de commissie gezeten en sindsdien afscheid genomen; op dit moment telt de commissie vijf zittende leden. Vicevoorzitter Anita Pijpelink (GroenLinks-PvdA) is een van de vertrekkers nadat zij bij de laatste verkiezingen niet terugkeerde in de Kamer.
De commissie begint vrijdag met het onder ede horen van 47 personen, drie dagen per week, en houdt die openbare verhoren tot en met 10 september (met een zomeronderbreking). Onderwerpen die aan bod komen zijn onder meer schoolsluitingen, het coronatoegangsbewijs en de rol van de Tweede Kamer. Met een looptijd van 32 maanden is dit onderzoek de langstdurende enquête sinds die naar het regeringsbeleid rond de Tweede Wereldoorlog.
De instabiliteit kent meerdere oorzaken. In de aanloop ontstond al verdeeldheid over de reikwijdte en thema’s van het onderzoek en bestond vrees voor politieke afrekening met voormalige kabinetten. Spanningen escaleerden ook door openlijk kritische uitspraken van enkele commissieleden (onder wie Pepijn van Houwelingen en Wybren van Haga), en door het vertrek van voorzitter Khadija Arib na anonieme bezwaren over haar functioneren. Een aangepast onderzoeksvoorstel kwam er in mei 2023, maar slechts vier partijen wilden aanvankelijk deelnemen; anderen wachtten op het derde rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, waardoor het onderzoek werd uitgesteld.
Na de definitieve start in februari 2024 bleef het rommelen: meerdere leden traden tussentijds af (onder meer Claudia van Zanten, Rosanne Hertzberger en Pepijn van Houwelingen), terwijl anderen instroomden (zoals Sander van Waveren). De verkiezingen van oktober leidden tot een nieuwe golf wisselingen; voorzitter Daan de Kort was de enige die nipt z’n zetel behield. De commissie is sindsdien aangevuld met vier nieuwkomers, en hoewel er nog korte opstappen volgden (zoals Gideon van Meijeren en Henk-Jan Oosterhuis), lijkt de stoelendans voorlopig gestopt.
Parlementair-historici wijzen op de uitzonderlijke mate van verloop en waarschuwen dat dat de effectiviteit kan aantasten. Nieuwe leden hebben de besloten voorgesprekken met getuigen gemist en moesten zich in korte tijd bijpraten over dossiers en reikwijdte. Dat maakt de rol van de voorzitter cruciaal: hij is de enige die het hele traject heeft meegemaakt, en continuïteit in leiding en ambtelijke ondersteuning (die stabiel bleef) is nodig om een coherent onderzoeksverhaal te vormen. De oude commissie heeft tijdens reces en verkiezingen doorgewerkt om 87 besloten voorgesprekken af te ronden en overdrachtsdossiers te maken.
Analisten benadrukken dat voor het welslagen van de enquête interne eenheid essentieel is; leden moeten hun partijkleur afleggen en samen achter conclusies kunnen staan. Tegelijkertijd erkennen zij de politieke gevoeligheid van het onderwerp: coronabeleid polariseerde de samenleving sterk, en het gevaar van politieke afrekening blijft reëel. De commissie stelt zich echter primair ten doel lessen te trekken en bij te dragen aan verwerking van de maatschappelijke gevolgen van de pandemie, niet louter strafrechtelijke of politieke veroordelingen.