Gaza door de ogen van chirurg Geertje Govaert: 'Het zijn de kleine succesjes die me hoop geven. Verder durf ik niet te kijken'

zondag, 14 december 2025 (12:03) - NRC Handelsblad

In dit artikel:

Geertje Govaert (52), een Nederlandse traumachirurg uit Zeist, werkte dit jaar drie keer in het veldhospitaal van het Internationale Comité van het Rode Kruis in Rafah, zuid-Gaza. Twee periodes duurden zes weken, de laatste vijf; tussen de missies hield ze een dagboek bij voor NRC. Ze besloot te gaan omdat de medische nood zo groot was en omdat ze wilde samenwerken met Palestijnse collega’s die niet kunnen weggaan. Govaert heeft eerder in oorlogsgebieden gewerkt (Irak, Sierra Leone, Afghanistan) en voelt zich ondanks media-aandacht liever als dokter dan als publiek figuur.

Het veldhospitaal is klein en geïmproviseerd: 65 bedden verdeeld over 23 witte tenten achter een betonnen muur, sommige tenten verstevigd met zandzakken en stalen raamwerken; een ijzeren, witgeschilderd dak moest bescherming bieden tegen ‘verdwaalde kogels’. Door de verwoesting van reguliere ziekenhuizen en de massale toestroom van gewonden en zieken liep de bezetting regelmatig op: op rustige dagen waren dat rond vijftien operaties, bij pieken het dubbele of veel meer. De Palestijnse gezondheidsautoriteiten melden sinds 7 oktober 2023 tienduizenden doden en volgens het ziekenhuisteam tienduizenden gewonden; hulpverleners overlijden ook regelmatig terwijl ze hun werk doen.

Govaert beschrijft de continue bedreiging: kogelgaten in tenten, evacuatieroutines naar zeecontainers bij schoten, en perioden van fysieke en mentale uitputting. Ze probeerde balans te vinden door bijvoorbeeld een pelgrimstocht te lopen en door regelmatig contact met familie te houden; een vriendin gespecialiseerd in PTSS raadde haar aan veel te delen zodat het thuisfront haar terugkeer vergemakkelijkte.

In haar aantekeningen staan herkenbare patiëntverhalen. Maryam, een zevenjarig meisje met een kogelwond en interne bloeding, werd in Rafah gestabiliseerd en overgebracht naar Nasser Medical Complex in Khan Younis, maar overleed enkele dagen later. Het team sprak nog kort over wat er gedaan was en ging door met de volgende patiënten. Mohsen, een driejarig jongetje dat tijdens het spelen door een kogel was geraakt, kreeg aanvankelijk een stoma om infectie te voorkomen; in Rafah kon die later worden opgeheven. Govaert benadrukt het schrijnende beeld van spelende kinderen die door kogels gewond raken en de schrale hygiënische omstandigheden (weinig stromend water, gebrek aan stomazakjes). Fadi, zeventien, kwam met uitgebreide abcessen en verloor familie; na inzet van verpleegkundigen en fysiotherapie kon hij lachen en zelfstandig lopen — kleine succesjes die het team hoop gaven.

Triage was dagelijkse realiteit: bij binnenkomst van tientallen tot honderden slachtoffers moest worden besloten wie meteen geopereerd kon worden en wie niet, met levensbedreigende consequenties. Tegelijkertijd beschrijft Govaert de onderlinge warmte: collega’s delen eenvoudige maaltijden, wonen dicht op elkaar en tonen grote moed en doorzettingsvermogen.

Na haar laatste missie vertrekt Govaert naar Rotterdam; ze begint in januari als traumachirurg in het Erasmus MC en verwacht voorlopig niet terug te keren naar Gaza. Ze neemt troost uit herstelverhalen en foto-updates van collega’s — bijvoorbeeld een lachende Fadi — als het meest waardevolle afscheidscadeau.