-Frits Bosch- Karen van Oudenhoven, leef niet in een droomwereld. Neem realiteit als uitgangspunt en debatteer

donderdag, 23 april 2026 (12:23) - Dagelijkse Standaard

In dit artikel:

De schrijver, afkomstig uit Noord‑Brabant, reageert fel op een FD‑column (23 april 2026) van Karen van Oudenhoven (D66), directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, waarin zij pleit om identiteit als verbindende kracht te gebruiken in plaats van als wapen. De auteur noemt dat idee aantrekkelijk maar in de praktijk naïef en onhaalbaar: identiteit leidt volgens hem vaak tot onverzoenlijke tegenstellingen die zich niet zomaar in gezamenlijke oplossingen laten omzetten.

Als concrete voorbeelden haalt hij het asiel- en opvangdebat aan — met lokale protesten tegen AZC’s en een deel van de bevolking dat strikt niets meer wil opnemen — en conflicten binnen islamitische gemeenschappen over eer en gedragsregels, waar jongeren soms andere levenskeuzes willen dan hun ouders. Ook verwijst hij naar autoritaire repressie in landen als Iran om te illustreren dat identiteitsverschillen kunnen leiden tot levensbedreigende tegenstellingen. Deze voorbeelden moeten volgens hem aantonen dat opvattingen diep verankerd en soms onverenigbaar zijn, waardoor een simpel appel op ‘verbinding’ tekortschiet.

Politiek en beleid moet, zo stelt de auteur, realistisch en soms hard zijn. Hij haalt Machiavelli aan als symbool voor het idee dat stabiliteit soms vraagt om streng optreden en dat morele idealen alleen niet volstaan in staatsbestuur. Democratie is volgens hem bovendien kwetsbaar omdat er nooit definitieve oplossingen komen — een observatie die hij koppelt aan Claude Lefort — en omdat groeiende culturele diversiteit (hij spreekt van “233 identiteiten”) botsingen oproept met liberale democratische normen. De schrijver betoogt dat meerderheidsbeslissingen richtinggevend moeten zijn en dat beleid rekening moet houden met bestaande identiteiten; soms is handhaving en beperking onvermijdelijk.

Naast kritiek geeft hij ook een intellectuele aanbeveling: gebruik verstand en rede, verwijsend naar Aristoteles en de Verlichting, en wees sceptisch over idealistische emoties. Om zich beter te wapenen tegen wat hij ziet als naïviteit raadt hij Van Oudenhoven lectuur aan van Schopenhauer (onder meer over retorische trucs), van Paul Cliteur en van een bundel waar hij zelf aan meewerkte over de Europese orde. Tot slot pleit hij niet voor het stoppen van debat, maar voor debat dat realiteitsgetrouw, rationeel en bereid is om knopen door te hakken — volgens hem de enige houdbare route binnen democratisch beleid.

Kort: de auteur prijst de intentie van Van Oudenhoven, maar vindt het practisch onverantwoord en te idealistisch om identiteit primair als bindmiddel te zien; beleid moet uitgaan van herkenbare, soms irreconcilieerbare identiteiten en op basis daarvan duidelijke keuzes maken.