Frank van de Goot (58) uit Meppel: 'Als ik geen patholoog was geworden, had ik nu geheid in de gevangenis gezeten'
In dit artikel:
Frank van de Goot (58) uit Meppel is een van de weinige forensisch pathologen in Nederland en een bekend gezicht dankzij het tv-programma Doden liegen niet (WNL, 2016–2018). In het boek Post mortem – waarin vele casussen en zijn werkwijze zijn vastgelegd – vertelt hij over zijn carrière, opvallende onderzoeken en zijn visie op doodsoorzaken en onderzoekspolicy.
Als forensisch patholoog onderzoekt Van de Goot lichamen meestal in opdracht van justitie wanneer een niet-natuurlijke dood wordt vermoed. Zijn taak is vaststellen waardoor of hoe iemand is overleden en of opzet mogelijk is; het Openbaar Ministerie moet vervolgens bewijzen of er sprake is van moord of doodslag. Hij benadrukt dat veel overlijdens nooit grondig worden onderzocht: jaarlijks overlijden zo’n 170.000 mensen in Nederland, maar slechts een fractie wordt obduceerd. Daardoor, zegt hij, glippen onjuiste classificaties van overlijden – zoals verkeerde aanname van zelfdoding – regelmatig tussen wal en schip.
Van de Goot heeft aan verschillende spraakmakende zaken gewerkt. Hij concludeerde onder meer dat model Ivanka Smit waarschijnlijk stijf was vóór haar val in Kuala Lumpur (2017), en dat achtjarige Sharleyne Remouchamps in 2015 te klein was om zelfstandig van een balkon te vallen. Hij was betrokken bij het onderzoek rond de vermiste Sophia Koetsier in Oeganda en bij de dossierbehandeling van Kris Kremers en Lisanne Froon in Panama. Recentelijk is hij gevraagd om bij graven in Griekenland monsters te nemen in verband met het Treinongeluk bij Tempi (2023) — vermoedelijk om sporen van brandbare stoffen te zoeken.
Van de Goot pleit beleidsmatig voor veranderingen: obducties moeten gemakkelijker en breder aangeboden worden, en zorgverzekeringen zouden onderzoek tot en met de uitvaart moeten dekken. Hij stoort zich aan wat hij de „hegemonie van justitie” noemt — de indruk dat doodsoorzaken pas relevant zijn als er een strafrechtelijke component is — terwijl van doden veel geleerd kan worden voor volksgezondheid en preventie. Via contacten, onder meer met PVV-Kamerlid Dion Graus, wil hij dit onderwerp op de politieke agenda krijgen.
Persoonlijk is Van de Goot openhartig over zijn eigen eigenschappen: hij noemt zichzelf hoogfunctionerend autistisch, iets wat volgens hem zijn afstandelijkheid en focus verklaart. Dat verklaart ook zijn fascinatie voor details (bijvoorbeeld het zorgvuldig maken van een Y-snede zodat nabestaanden het lichaam kunnen zien) en zijn neiging om soms ver door te vragen waar anderen stoppen. Hij werkt internationaal en clandestien wanneer nodig — zelf zegt hij een „spook” te zijn die monsters per koerier naar Nederland laat brengen als lokale laboratoria onbetrouwbaar worden geacht.
Het boek en de interviews geven een inkijk in het ambacht, de ethische dilemma’s en de soms frustrerende grenzen van forensisch onderzoek: Van de Goot wil vooral één punt duidelijk maken—motieven intrigeren hem, maar vaak ontbreken ze; soms is het dodelijke gedrag simpelweg „omdat het kon”.