'Fotografie als kunstvorm wordt hier niet begrepen', zegt kunstenaar Jan Dibbets
In dit artikel:
Jan Dibbets (Weert, 1941) staat centraal in een omvangrijk retrospectief in H’Art Museum Amsterdam, de eerste grote presentatie in Nederland sinds 1972. De tentoonstelling bestrijkt vooral het decennium 1966–1976 en laat zien hoe Dibbets fotografie niet als documentatie van de werkelijkheid, maar als experimenteel middel inzette om perceptie en beeldconstructie te bevragen.
In plaats van traditionele landschappen of portretten maakte Dibbets ‘andere fotografie’: zorgvuldig uitgerekende ingrepen in driedimensionale ruimte waardoor lijnen, vierkanten en rechthoeken op de foto symmetrisch leken ondanks het normale perspectief. De zogeheten perspectiefcorrecties worden naast de uiteindelijke werken ook toegelicht met technische schetsen en berekeningen, waardoor zijn werkwijze inzichtelijk wordt. Tijd en licht spelen bovendien een expliciete rol — bijvoorbeeld in een collage van vierendertig foto’s die schaduwpatronen in zijn atelier vastleggen in intervallen van tien minuten.
Vanaf 1970 introduceerde hij kleur en film; wat nu vanzelfsprekend oogt was toen experimenteel en associatief, zoals de reeks ‘Dutch Mountains’ waarin kantelende horizons van zee en Flevolandse grasvlakten volgens strikte geometrische regels worden gecomponeerd. Dibbets zocht kleur “zonder structuur” en gebruikte daarvoor onverwachte materialen zoals autolak: grootschalige kleurenstudies en technisch ambitieuze afdrukken vormden nieuwe stappen in zijn onderzoek. Hij plaatste zijn werk ook in dialoog met de kunstgeschiedenis, onder meer met een fotografische hommage aan Mondriaan.
De presentatie bevat niet alleen foto’s maar ook affiches, uitnodigingen en correspondentie uit die periode, waarmee het internationale succes — eerder in instellingen als het MoMA (2009) en shows in Parijs — en de contacten met collega’s zichtbaar worden. Tegelijkertijd klinkt Dibbets’ kritiek op de Nederlandse kunstklimaat en op het gebrek aan begrip voor fotografie als autonome kunstvorm; zijn uitspraak “Ik wilde fotografie ontdoen van de sokkel van de werkelijkheid” vat zijn missie bondig samen.
Kritische kanttekeningen bij de expositie zijn dat het verhaal abrupt stopt in 1976 (waardoor latere belangrijke projecten ontbreken) en dat sommige contextuele toelichtingen en particuliere eigenaars niet volledig vermeld worden. De slotopstelling — muren vol stroken foto’s die van afstand als pixels werken — onderstreept desalniettemin Dibbets’ eigenzinnige omgang met het medium en zijn streven om het kijken zelf te veranderen.