Forum voor Democratie verbergt zijn extreem-rechtse denkbeelden niet meer. Alleen veroorzaken die nauwelijks nog ophef
In dit artikel:
Forum voor Democratie heeft in weinig jaren een verschuiving doorgemaakt van incidentele controverse naar het openlijk articuleren van ideeën die vroeger zedig werden afgewezen — en de maatschappelijke verontwaardiging die dat ooit opriep, ebt steeds vaker weg. De artikelrij van onthullingen over plaatselijke kandidaten met banden naar organisaties als Erkenbrand, Voorpost en de neonazistische nvu (bekend uit publicaties van Volkskrant en NRC) leidde niet tot scherpe afstandsname, maar tot de gebruikelijke tactiek van FvD: klagen over de publiciteit en het publieke debat zonder inhoudelijk te ontkennen of te corrigeren.
Een recent voorbeeld speelde zich af in de Amsterdamse gemeenteraad: nieuw raadslid Johan Dessing zei bij zijn debuut dat hij “in vrede” kwam en dat FvD er voor alle Amsterdammers is. Toen collega’s wezen op verbindingen van nummer zeven op de kieslijst met extreem-rechtse groeperingen, weigerde Dessing werkelijke afstand te nemen en koos hij voor ontwijkende formuleringen. Die reactie is symptomatisch voor hoe partijleiders, waaronder Lidewij de Vos, publieke kritiek routinematig afdoen als polarisatie of eenzijdige mediaverslaggeving.
Cultureel-politieke strategie ligt ten grondslag aan deze normalisatie. Wetenschappers zoals Ico Maly koppelen de koers van FvD expliciet aan de Franse Nouvelle Droite: intellectuele netwerken van denkers als Alain de Benoist en de verspreiding van vergelijkbare literatuur via uitgevers en vertalingen vormen een internationale infrastructuur die identitaire en etnisch-culturele narratieven normaliseert. Die stroming ontwikkelde het idee van “metapolitiek”: eerst de geestesgesteldheid en het cultuurklimaat veranderen, waarna politieke macht volgt. Dezelfde denktradities — met verwijzingen naar Evola, Faye en andere radicale auteurs — circuleren binnen FvD-kringen en jongerentakken, en vinden hun weg in partijprogramma’s, essays en interne publicaties.
Binnen FvD verliep de radicalisering niet zonder interne botsingen. In het begin werden nog leden met extreem-rechtse connecties weggestuurd en werd censuur toegepast op de jongerengroepen, maar sleutelfiguren als Freek Jansen en Thierry Baudet kozen geleidelijk voor een hardere lijn. Praktijken zoals het voeren van gesprekken met controversiële Amerikaanse racisten, het minimaliseren van antisemitische appjes in de jongerenafdeling en het consequent toepassen van de “non-denial denial” (klagen over de rel, niet over de inhoud) droegen bij aan het wegdringen van taboes.
Die koers vertaalde zich naar politieke inhoud: uit het programma verdwenen passages over fundamentele gelijkwaardigheid; de retoriek rond ‘remigratie’ en “beschermende” maatregelen tegen vermeende ‘omvolking’ werd explicieter. In debatten verschijnen termen als ‘omvolking’, erfelijkheid en culturele superioriteit steeds onomwondener. Tegelijkertijd werden strategische stappen gezet om mediatoegang te herstellen: Baudet trad naar de achtergrond en Lidewij de Vos fungeerde als gezicht, wat de deur naar talkshows en breed publiek contact opende — en zo het normalisatieproces verder versterkte.
Kort samengevat: FvD volgt een bewuste cultuurstrijd, geworteld in internationale extreem-rechtse denkstromen, waarin het doel niet direct brute politiek is maar het verschuiven van de grenzen van het toelaatbare. Dat proces levert vandaag politieke winst op en maakt hardere identitaire opvattingen steeds zichtbaarder in het Nederlandse publieke debat. Internationale netwerken en doelbewuste metapolitieke patronen maken deze ontwikkeling geen toeval, maar een geplande strategie.