Fort Jesus: een omstreden bolwerk
In dit artikel:
Fort Jesus staat op een eiland voor de kust van Mombasa, de tweede stad van Kenia, en markeert eeuwen van handel, macht en conflict langs de Oost-Afrikaanse kust. De haven van Mombasa was al vanaf de tiende eeuw een knooppunt in de routes tussen Afrika, Arabië en India; in 1498 passeerde Vasco da Gama de stad op zijn tocht naar India. Om die handelswegen te beveiligen liet Portugal in 1593 een sterkte bouwen onder leiding van de Italiaanse ingenieur Giovanni Battista Cairato. Het bouwwerk, expliciet genoemd naar Christus, diende zowel militaire als symbolische doelen in een overwegend islamitische regio.
Het fort is bijna een hectare groot en opvallend ontworpen: vanaf luchtfoto’s is de omtrek van een mensfiguur te herkennen — of dat expres bedoeld was, blijft onduidelijk. Een belangrijke bouwkeuze was dat het fort slechts één toegang had. Die enkelvoudige poort bood aanvankelijk bescherming maar bleek ook een fataal zwak punt tijdens het belegering door het sultanaat Oman tussen 1696 en 1698. Het beleg duurde bijna drie jaar; voedsel en water raakten uitgeput en ziekten als malaria, dysenterie en mogelijk tyfus eisten veel slachtoffers. De overgebleven verdedigers capituleerden uiteindelijk; sommige gevangenen werden naar Oman gedeporteerd en lokale bondgenoten werden tot slaaf gemaakt.
Na de verovering bleef Fort Jesus ruim een eeuw onder Omaanse heerschappij en vervulde het een bestuurlijke en commerciële rol binnen de regio, waaronder impliciete verbondenheid met de regio’s slavenhandel via plaatsen als Zanzibar. In 1895 kwam Kenia onder Britse bescherming en het fort werd zonder bloedvergieten Brits bezit; de Britten gebruikten het vooral als gevangenis en garnizoen. Vanaf de jaren 1950 kreeg het complex een museumfunctie en sindsdien zijn restauraties uitgevoerd. In 2011 werd Fort Jesus door UNESCO op de Werelderfgoedlijst gezet als een voorbeeld van zestiende-eeuwse bastionarchitectuur en als tastbaar bewijs van lange culturele uitwisselingen tussen Europa, Arabië en Afrika.
Materiële sporen van al die periodes zijn nog zichtbaar: dikke muren van gebakken koraalsteen die onder de Arabische beheerders werden verhoogd en later met Engelse kantelen werden bewerkt, tientallen kanonnen met een bereik van ongeveer 300 meter, en sporen van waterhuishouding — oorspronkelijk regenopvangleidingen, later een door de Omaanse bestuurders gegraven (brak)put. In het museum zijn onder meer een replica van een tijdens het beleg gevonden skelet en een 15 meter lang bultrugskelet (aangespoeld in 1992) te zien; er is ook een nagebouwd Omaans huis om het dagelijks leven onder die bestuurders te tonen.
Fort Jesus vertelt het verhaal van ontmoetingen en conflicten: de komst van handel en nieuwe bouwkunst ging gepaard met belastingdruk, dwang en ongelijkheid. De naam — een fort vernoemd naar Jezus — legt een schrijnende tegenstelling bloot tussen religieuze retoriek en de aardse, vaak gewelddadige belangen die het gebouw moest dienen. Vandaag is het complex een toeristische en educatieve plek waar de dubbele erfenis van economische verbondenheid en historische uitbuiting van de Oost-Afrikaanse kust zichtbaar blijft.