Evangelisten in Vlaanderen stoeien met de erfenis van de Rooms-Katholieke Kerk

donderdag, 19 maart 2026 (14:38) - Reformatorisch Dagblad

In dit artikel:

Evangelist Arie van Setten en ds. Jelis Verschoof werken als predikant/evangelist in Antwerpen en Gent en ervaren hun roeping als rechtstreeks door God geleid. Begin maart bezoekt Verschoof de tijdelijke expositie in de Bijbelpost in Merksem, waar een zilveren replica van een Hebreeuwse tekst (de Aäronitische zegen uit Numeri 6) hun aandacht trekt. In het kantoortje van de post hangen bij Van Setten andere zichtbare tekens van geloofspraktijk: de zegenbede aan de muur en veel kleine contacten met voorbijgangers en bezoekers.

Beide mannen vertellen dat hun woorden vaak als “gegeven” voelen: voorbeelden uit gesprekken en diensten laten zien dat precies wat zij willen bespreken, bij aanwezigen iets losmaakt. Verschoof herinnert zich een gesprek over afleiding door hobby’s dat voor een vriend onverwacht raak bleek; Van Setten vertelt hoe een toevallige aanwezige bij een dienst diep geraakt werd door een geplande bespreking van de Dordtse Leerregels. Voor hen is dat bewijs van leiding in spreken en prediken. Zij zien ook vrucht: rondom de evangelisatieposten is een kleine gemeente ontstaan waar doop en avondmaal gevierd worden.

Hun evangelisatiewerk vindt vooral plaats in Merksem (Antwerpen) en Gent. Methoden zijn laagdrempelig en praktisch: een Bijbelkar waarmee ze de buurt in trekken, een inloophuis bij Rehoboth, zomeractiviteiten zoals vakantiebijbelclubs in een tent in het park, en incidentele activiteiten in kerkgebouwen zoals de Sint‑Jozefkerk om mensen te bereiken, waaronder daklozen. De Bijbelpost in Merksem ontvangt dagelijks tussen de 40 en 130 bezoekers; vrijwilligers spelen een cruciale rol en sommigen reizen uit Nederland om te helpen. Van Setten en Verschoof hopen dat het werk uiteindelijk leidt tot een zelfstandige, liefst Vlaamse, gemeente.

Dat streven heeft al concrete stappen gezet: vorig jaar kon hier voor het eerst onder leiding van een Nederlandse predikant het Heilig Avondmaal gevierd worden, een belangrijke mijlpaal voor de lokale geloofsgemeenschap. Ook het contact met lokale bestuurders is van belang: na het intrekken van hun vergunning om met de Bijbelkar de wijk in te gaan, kwam steun van een schepen en politieke discussie in Gent over vrijheid van religieuze uitingen.

Evangeliseren in Vlaanderen vergt volgens hen aanpassing: Belgen zijn doorgaans gereserveerder dan Nederlanders, non‑verbale signalen zijn belangrijker en het dialect (Vlaamse tongval) en andere uitdrukkingen vragen gewenning. Beide mannen blijven zichzelf, maar maken wel bewust ruimte om beter verstaan en begrepen te worden. Culturele verschillen komen ook naar voren in omgang met de nog sterk aanwezige Rooms‑Katholieke traditie: veel mensen blijven verbonden aan rituelen (zoals laatste zalving en begrafenis) en begrijpen begrippen als genade soms anders dan reformatorische predikers. Dat leidt soms tot lastige situaties, bijvoorbeeld wanneer mensen sociale banden en kerkelijke bindingen aan twee kanten hebben.

Kleine aantallen, teruglopende bezoekers en soms tegenstand horen bij het werk. Van Setten zegt dat volhouden voor hem samenhangt met het zichzelf losmaken van het verlangen om aardig gevonden te worden en terug te keren naar zijn identiteit als dienaar. Verschoof benadrukt dat beminnen van God ook betekent dat hijzelf kleiner wordt en God groter — een houding die hen helpt vol te houden.

Kortom: in Vlaamse wijken proberen Van Setten en Verschoof met eenvoudige middelen, afhankelijkheid van God en veel inzet van vrijwilligers een kerkelijk leven op te bouwen. Hun werk illustreert hoe kleinschalige evangelisatie, culturele gevoeligheid en samenwerking met lokale gemeenschappen samenkomen in het streven naar een duurzame, lokale geloofsgemeenschap.