Europese NAVO-landen vallen nog steeds van de ene Trump-verbazing in de andere
In dit artikel:
„Geen verrassingen”, zei Mark Rutte vorige maand over NAVO-beslissingen — maar precies dat is er de afgelopen weken wél gebeurd. Onder president Trump zijn Amerikaanse troepenverschuivingen in Europa onvoorspelbaar geworden: aankondigingen en terugdraaien volgen elkaar op en worden deels gestuurd door binnenlandse politiek en persoonlijke wrijvingen met bondgenoten. Na kritische opmerkingen van de Duitse kanselier Friedrich Merz over een Amerikaanse aanpak in Iran kondigde Washington bijvoorbeeld de terugtrekking van 5.000 militairen uit Duitsland aan en stopte een plan voor kruisraketten. Ook een geplande vervanging van 4.000 rotatietroepen in Polen werd eerst geschrapt en binnen een week weer herroepen; Trump kondigde later via Truth Social juist een extra zending van 5.000 man naar Polen aan.
Die wisselende berichtgeving leidde eind juni tot irritatie en onrust onder Europese NAVO-bondgenoten. Tijdens een bijeenkomst van NAVO-ministers in Helsingborg (Zweden) werd duidelijk dat veel landen onzeker zijn over de mate en het tempo waarin de VS zich uit Europese verdediging kunnen terugtrekken. Trumps minister Marco Rubio probeerde te kalmeren en zei dat de maatregelen geen „straf” zijn, maar benadrukte dat Washington teleurgesteld is in het terughoudende optreden van enkele bondgenoten rond de aanval op Iran en missies in de Straat van Hormuz. Bondgenoten moeten deze verwachtingen volgens hem op regeringsleidersniveau bespreken; de volgende kans is de NAVO-top in Ankara begin juli.
De kern van het probleem is dat de VS volgens eigen berekeningen ongeveer 39 procent van de NAVO-last dragen. Als Amerika zijn inzet in Europa reduceert om zich op Azië te richten, ontstaan er grote gaten: Europa mist sleutelcapaciteiten zoals inlichtingenvergaring, lucht- en maritieme surveillance, precisiebombardementen op afstand, raketverdediging, logistiek en mobiliteit. Analisten schatten dat het 10–12 jaar zou kosten om die tekortkomingen op te vullen, en Europese krijgsmachten zijn niet gebouwd voor langdurige, intensieve gevechten.
Denken over alternatieven is daarom in een stroomversnelling gekomen. Onder meer denktanks waaronder het Nederlandse Clingendael publiceerden een rapport met opties: een versterkt Europees aandeel binnen de NAVO (het zogenoemde NAVO 3.0), structurele verschuiving van sleutelposities naar Europeanen, aanpassing van regionale hoofdkwartieren (bijvoorbeeld een nieuw centrum in Polen voor de oostflank in plaats van Brunssum), en het reanimeren van een «Eurogroep» binnen de NAVO. Daarnaast wordt samenwerking buiten de NAVO aanbevolen: uitbreiding en formalisering van kleinere regionale verbanden (zoals de Joint Expeditionary Force en de Nordic Defence Cooperation) en een steviger militaire rol voor de EU, eventueel met een nieuw politiek orgaan als Europese Veiligheidsraad.
Politiek willen Europese leiders geen openbreuk met de VS. Rutte stelde in Helsingborg dat Europa „af van de ongezonde afhankelijkheid van één bondgenoot” moet en wees op hogere defensie-uitgaven (Europees budget steeg vorig jaar met 20 procent). Tegelijk is wantrouwen toegenomen door recente Amerikaanse confrontaties met bondgenoten — van Oekraïne-beleid tot Groenland en Iran — waardoor Europa serieuze noodscenario’s onderzoekt voor het geval steun uit Washington onbetrouwbaar blijkt.
Kortom: Europa wordt steeds meer gedwongen zijn defensie te herinterpreteren en uit te bouwen. De vraag is niet alleen of de politiek de middelen en wil heeft om dat snel genoeg te doen, maar ook hoeveel tijd er rest om een robuuste, zelfstandige Europese verdediging op te bouwen zonder de Amerikaanse parasol.