Europese militairen in Oekraïne: eerste stap richting Europees leger of net niet?
In dit artikel:
Gisteren in het Elysée spraken Europese landen (een zogenaamde "coalition of the willing") af dat ze, als er een geloofwaardig staakt‑het‑vuren met Rusland komt, bereid zijn een multinationale troepenmacht naar Oekraïne te sturen. België biedt daarbij marine, luchtmacht en grondtroepen aan; de VS geven voorlopig vage garanties. Niet alle partners doen mee: Italië en Polen weigeren, Duitsland stelt voorwaarden, maar een meerderheid ziet Europese soldaten nodig voor stabilisatie aan het front.
De beslissing zette onder geopolitieke experts meteen een debat in gang: is dit het begin van een Europees leger? Defensiespecialist Sven Biscop (UGent/Egmont) houdt die discussie "zo goed als dood". Hij beklemtoont dat het om een tijdelijke operatie gaat en geen structurele integratie zoals bij een echt Europees leger. Wel ziet hij een "europeanisering" van de NAVO: Europa die binnen het bondgenootschap meer initiatief neemt, in plaats van een volledig nieuw, onafhankelijk Europees strijdmachtsverband. Minister van Defensie Theo Francken noemde het idee van een Europees leger eerder onrealistisch.
Er is binnen Europa wel publiek draagvlak voor meer gezamenlijke defensie: Eurocommissaris Andrius Kubilius citeerde een peiling onder jongeren in negen landen (maart 2025) waarin een meerderheid voor een Europees leger bleek, bij Belgen zelfs 3 op de 4. Maar politieke en militaire realiteit — uiteenlopende posities van lidstaten en operationele bezwaren — maken concrete vormgeving complex.
De mogelijke inzet van Europese troepen heeft ook directe implicaties voor de verhouding met Rusland en voor de NAVO. Biscop waarschuwt dat Rusland waarschijnlijk hybride tegenmaatregelen zal inzetten, en dat een escalatie de NAVO onvermijdelijk zou betrekken. Europa moet daarom binnen het NAVO‑kader beter samenwerken en de verminderde Amerikaanse betrokkenheid compenseren, zo luidt zijn pleidooi.
Een recente studie van de Franse denktank Ifri schetst de militaire balans tussen Europese NAVO‑landen en Rusland als ongelijk per domein. Financieel gezien zijn de defensiebudgetten, bij aankoopkracht omgerekend, ongeveer vergelijkbaar. Op land heeft Rusland een duidelijk voordeel in aantallen troepen, artillerie en raketcapaciteit; Europese legers hebben kwalitatieve pluspunten (opleiding, commandostructuur) maar kampen met tekorten in vuurkracht, logistiek en mobiliteit. In de lucht en op zee heeft Europa een kwalitatieve voorsprong (meer gevechtsvliegtuigen en grotere oppervlakteschepen), maar geografische beperkingen en de Russische onderzeebootvloot temperen dat voordeel. Het grootste strategische risico blijft de nucleaire asymmetrie: Rusland beschikt over een veel groter kernarsenaal, terwijl Europa sterk leunt op de Amerikaanse nucleaire paraplu, aangevuld met Britse en Franse kernwapens. Ifri waarschuwt dat minder Amerikaanse betrokkenheid Europa strategisch kwetsbaar zou maken.
Kort samengevat: de aangekondigde Europese troepenmacht voor Oekraïne is voorlopig een ad hoc‑maatregel, geen startschot voor een Europees leger. Wel wordt duidelijk dat Europa zich militair moet herbezinnen en binnen de NAVO meer verantwoordelijkheid zal moeten nemen, terwijl de kwetsbaarheden tegenover Rusland per domein verschillen.