Europa oogst miljarden met exotische bloemen, maar geeft geen cent aan herkomstlanden

vrijdag, 17 april 2026 (06:08) - Follow the Money

In dit artikel:

De Europese bloemenhandel levert miljarden op — denk aan Royal FloraHolland (€5,4 mrd omzet in 2025) en een Europese markt van circa €17 mrd — maar de landen die de genetische bronnen voor veel siergewassen leveren (zoals Mexico, Indonesië, de Filipijnen en delen van Afrika en Latijns-Amerika) zien daar vrijwel niets van terug. Onderzoek van Follow the Money toont dat betalingen voor toegang tot en winstdeling van genetisch materiaal in de bloemensector nagenoeg afwezig zijn, ondanks internationale afspraken.

Het VN-Verdrag inzake biologische diversiteit (CBD) en het in 2014 in werking getreden Nagoya Protocol moeten eerlijke verdeling van de opbrengsten regelen. In de praktijk blijkt het protocol echter beperkt en slecht gehandhaafd. Experts en betrokken onderzoekers zeggen dat het doel — toegang vergemakkelijken, behoud stimuleren en opbrengsten eerlijk verdelen — grotendeels is gefaald. Koen Beumer (UU) stelt dat er brede consensus is dat het Nagoya Protocol “in zekere zin is mislukt”.

Twee belangrijke mazen verklaren de kloof. Ten eerste geldt Nagoya alleen voor materiaal dat na 12 oktober 2014 is verzameld; Europese veredeling berust grotendeels op eeuwenoude, vóór die datum verzamelde genetische bronnen. Ten tweede hebben lobby’s van de veredelingsindustrie succes gehad met vrijstellingen: Europa erkent dat gebruik van commercieel beschikbare variëteiten voor verdere veredeling geen plicht tot winstdeling creëert. Omdat veredeling grotendeels gebaseerd is op bestaand commercieel materiaal, dekt die uitzondering een groot deel van de activiteiten.

Handhaving ontbreekt vrijwel geheel. De Europese Commissie en lidstaten verzamelen nauwelijks gegevens of controleren naleving; in Brussel houden minder dan drie ambtenaren zich met Nagoya-zaken bezig en geen van hen fulltime. Nationale rapporten van EU-lidstaten bevestigen juridische onzekerheid, moeilijkheden bij het traceren van oorsprong en verborgen kosten van onderhandelingen. De commissie evalueert de implementatie, maar sommige waarnemers geloven dat de EU primair wil zorgen voor onbelemmerde toegang voor haar industrie in plaats van echte winstdeling af te dwingen.

De machtsverhoudingen op het gebied van intellectueel eigendom zijn sterk geconcentreerd: ongeveer 25 bedrijven bezitten bijna een derde van alle bloemoctrooien. Voor vlinderorchideeën beheersen twee Nederlandse bedrijven samen vrijwel de hele Europese markt van variëteitsrechten. Minder dan de helft van de patenten is nog in handen van de oorspronkelijke kwekers. Dit oligopolie vergroot de mogelijkheid om winst te privatiseren terwijl bronlanden niets of nauwelijks iets ontvangen.

Er zijn enkele uitzonderingen die laten zien dat het wel kan: het Japanse bedrijf Sakata maakte publieke overeenkomsten over winstdeling met Indonesië en Argentinië voor rassen die met hun genetisch materiaal zijn ontwikkeld; Zuid-Afrikaanse rooibosproducenten sloten een sectorbrede winstdelingsregeling die in het eerste jaar circa €620.000 opleverde voor inheemse gemeenschappen. India gebruikte het traceren van genetische sequenties om met terugwerkende kracht afspraken af te dwingen. Maar dergelijke voorbeelden zijn schaars en vaak betalen staten, niet de lokale gemeenschappen of boeren die het materiaal en de traditionele kennis leverden.

Andere belemmeringen: de Verenigde Staten zijn geen partij bij Nagoya of de CBD en vormen een aantrekkelijke juridische omweg voor veredelaars die patenten willen veiligstellen zonder winstdelingsverplichtingen; sinds 2014 hebben EU-veredelaars duizenden patenten in de VS aangevraagd. Daarnaast stelt de digitalisering van genetische informatie een nieuw probleem: sequentiegegevens worden publiekelijk beschikbaar en kunnen anoniem worden gedownload, terwijl het Nagoya Protocol primair op fysiek materiaal is gericht.

Bronlanden leveren soms wel vergunningen of afspraken, maar de financiële opbrengsten zijn meestal minimaal. Voorbeelden: Oeganda gaf sinds 2017 235 vergunningen en ontving slechts ongeveer $70.500; Kameroen sloot 47 overeenkomsten en kreeg circa $150.700. Indonesië heeft een relatief strak systeem met meer dan 1.300 vergunningen en wettelijke openbaarmaking bij octrooien, maar rapporteert geen betalingen voor traditionele kennis. Bovendien is de keten tussen boeren en commerciële winsten vaak te lang en ondoorzichtig om effectief te compenseren.

Internationale initiatieven zoals het in 2025 opgerichte Cali Fonds zouden opbrengsten van genetische wetenschap moeten delen, maar het fonds heeft tot nog toe verwaarloosbare bijdragen ontvangen. De complexe realiteit — een ‘spaghetti-kluwen’ van meer dan honderd nationale regels — maakt een praktisch, wereldwijd werkbaar systeem voor toegang en eerlijke verdeling uiterst lastig.

Kortom: de huidige architectuur en uitvoering van Nagoya en aanverwante regelgeving geven westerse veredelaars en handelsnetwerken ruime mogelijkheden om genetische hulpbronnen te exploiteren zonder dat herkomstlanden en lokale gemeenschappen substantieel profiteren. Enkele jurisprudentie- en beleidsvoorbeelden tonen hoe wel degelijk afspraken tot stand kunnen komen, maar zonder betere handhaving, transparantie en internationale afstemming blijft de verdeling van opbrengsten scheef. De belangrijkste vraag blijft: wie zijn de rechtmatige erfgenamen van generaties werk en inheemse kennis — en hoe worden zij eerlijk gecompenseerd?