Europa is geloofwaardiger dan de VS, en dat weet Iran | opinie
In dit artikel:
Europa staat aan de zijlijn in het escalerende conflict met Iran, terwijl het de schade voelt en niet verplicht is te blijven toekijken, betoogt Steven Everts (directeur EU-Instituut voor Veiligheidsstudies). Na het vastlopen van de gesprekken tussen de VS en Iran is het wantrouwen te groot: Amerikaanse tactieken onder Trump — onderhandelen afwisselen met dreiging en militaire druk — hebben vertrouwen ondermijnd en geleid tot een eigen Amerikaanse blokkade-aanpak voor de Straat van Hormuz. Iran zit niet per se in een dominante militaire positie, maar heeft door het behoud van toegang tot de zeestraat en door asymmetrische middelen (drones, mijnen, gerichte dreigingen) een effectieve hefboom die rederijen en verzekeraars afschrikt.
Europa heeft terecht afstand genomen en stelt dat dit niet “onze oorlog” is; NAVO-verplichtingen maken dit geen automatische collectieve strijd. Toch zijn de gevolgen voor Europa reëel: hogere energieprijzen, tekorten aan essentiële grondstoffen zoals helium, en geopolitieke winst voor rivalen zoals Poetin, terwijl minder luchtafweerraketten beschikbaar zijn voor Oekraïne. Pijnlijker nog: Europa staat diplomatiek buitenspel. Initiatieven voor een tijdelijk staakt-het-vuren kwamen van Pakistan met steun van Turkije en Saoedi-Arabië, niet van Europese hoofdsteden — terwijl de EU eerder juist de regie voerde in het Iran-dossier (de diplomatieke lijnen sinds 2006 en het nucleaire akkoord van 2015).
Everts pleit dan ook dat Europa het initiatief terugneemt. Het belangrijkste en meest urgente doel is helder: heropenen van de Straat van Hormuz en het veiligstellen van vrije doorvaart. Dat is een gedeeld belang van Golflanden, Aziatische energie-importeurs en uiteindelijk ook van Iran. Militair “afdwingen”, zoals door sommige Amerikaanse voorstellen wordt gesuggereerd, is een vals vertrekpunt; Iran hoeft de zeestraat niet permanent te sluiten om de doorvaart praktisch te blokkeren. Juridische gelijk hebben betekent niet automatisch dat dat ook afdwingbaar is in de praktijk. Daarom moet eerst onderhandeld worden.
Concreet stelt Everts een diplomatieke coalitie voor: Europa samen met de Golfstaten en grote Aziatische importeurs (India, Japan, Zuid-Korea en waar mogelijk China), plus gesprekken met Iran en Oman, om een internationale regeling voor veilige doorvaart te ontwerpen — een soort overeenkomst zoals die bestaat voor de Bosporus, het Suezkanaal of het Panamakanaal. Deze “coalition of the willing” moet primair diplomatiek opereren; militaire middelen kunnen als laatste onderdeel dienen, niet als startpunt. Wie de volgorde omdraait, vergroot het escalatierisico en herstelt de doorvaart niet.
Everts waarschuwt voor Europese passiviteit die hij vergelijkt met “aangeleerde hulpeloosheid” en roept op tot proactief optreden, in de geest van leiderschap dat oorlogen en crises niet afwacht maar beweging creëert.