Europa bereidt zich behoorlijk goed voor op de Russische claims op het noordpoolgebied, ziet politicoloog Minna Ålander

woensdag, 3 juni 2026 (12:15) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Het hoge noorden verandert van een afgezonderd natuurgebied in een strategische strijdzone, stelt de Finse politicoloog Minna Ålander. Klimaatopwarming maakt grondstoffen en scheepvaartroutes toegankelijk, terwijl landen hun militaire en economische posities aanscherpen. Rusland zette de toon met de expeditie Arktika 2007 — symbolisch door een metalen ‘vlag’ op de zeebodem te plaatsen — en bouwde vanaf ongeveer 2008 systematisch militaire basissen en de grootste kernijsbrekervloot ter wereld om zijn belangen veilig te stellen.

Onder het smeltende ijs liggen enorme voorraden gas, olie en zeldzame aardmetalen; sommige schattingen plaatsen tot tachtig procent van Russisch gas binnen de poolcirkel. Naast Rusland tonen ook China en diverse Europese landen groeiende interesse: Peking noemt zich een near-arctic state en fantaseert over een Arctische zijderoute, terwijl Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland hun militair-politieke betrokkenheid vergroten. Frankrijk zoekt bijvoorbeeld partnerschappen met Zweden en wil zijn aanwezigheid na Afrikaanse terugtrekking verplaatsen naar het noorden.

Tegelijkertijd heeft de oorlog in Oekraïne en westerse sancties Moskou beperkt: troepen en materieel zijn naar het zuidelijke front verplaatst, sommige infrastructuurprojecten gepauzeerd, en de bouw van nieuwe ijsbrekers ondervindt problemen door gebrek aan gesanctioneerde onderdelen uit Finland en Zuid-Korea. Die verslechtering is tijdelijk, waarschuwt Ålander: zodra de oorlog eindigt, kan Rusland zijn focus weer verleggen naar het poolgebied.

Europa reageert met meer coördinatie en zichtbaarheid. Het toetreden van Finland en Zweden tot de NAVO, plus initiatieven als de NAVO-missie Arctic Sentry, versterken de westerse aanwezigheid. Noorwegen speelt een cruciale rol in het monitoren van Russische onderzeeboten via de smalle doorgangen naar de Atlantische Oceaan (de GIUK-gap), terwijl de Moermansk-regio als uitvalsbasis fungeert voor Russische strategische nucleaire onderzeeërs.

Een belangrijke politieke les kwam uit de korte “Groenland-crisis” rond Amerikaanse aandacht voor het eiland: Denemarken bereidde zich militair voor en toonde bereidheid tot verdediging, een signaal dat volgens Ålander zowel in Washington als in het Kremlin is opgevallen. Probleem blijft de inconsistentie in westerse communicatie en afschrikking — niet zozeer gebrek aan materieel, maar onduidelijke boodschappen en chaotische publieke uitlatingen, vooral vanuit de VS.

Tot slot wijst Ålander op praktische moeilijkheden van operaties in het hoge noorden: extreme weersomstandigheden, permanente duisternis in de winter en juist lange dagen in de zomer maken militaire actie technisch veeleisend. Haar conclusie: Europa bouwt defensieve capaciteiten uit en over vijf jaar zal Rusland een wezenlijk ander, militair sterker Europa aantreffen dan nu het geval is.