EU-leiders zoeken uitweg uit energiecrisis nu einde oorlog ver weg lijkt
In dit artikel:
Premier Rob Jetten deed woensdag in Brussel voor het eerst mee aan een Europese top met alle EU-leiders. Wat aanvankelijk een bijeenkomst over concurrentiekracht van de EU had moeten worden, werd gedomineerd door de oorlog in het Midden-Oosten en de daaruit voortvloeiende scherpe stijging van energieprijzen. Daarnaast stonden ook de oorlog in Oekraïne en de discussie over concurrentiekracht nog op de agenda.
De hoge energieprijzen kregen de hoogste prioriteit. Volgens de Europese Commissie kost de oorlog in Iran Europa al zo’n 6 miljard euro extra aan gas- en olie-importen, bovenop de al relatief hoge binnenlandse energieprijzen. De leiders vroegen de Commissie snelle, tijdelijke maatregelen te onderzoeken om de impact van die prijsstijgingen te dempen. Tegelijk erkenden ze dat de échte oplossing een de-escalatie in het Midden-Oosten blijft, iets waarvoor voorlopig weinig uitzicht is en waarvoor de EU diplomatieke wegen verkent om niet rechtstreeks militair betrokken te raken.
Opvallend was een gezamenlijke verklaring van Nederland, Japan, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland en Italië waarin zij aangaven bereid te zijn bij te dragen aan inspanningen om de doorvaart door de Straat van Hormuz veilig te stellen — een reactie op publieke oproepen om scheepvaartroutes te beschermen. Den Haag en Berlijn benadrukten echter dat dit geen voorstel is voor snelle militaire interventie; Nederland stelde dat men niet offensief zal deelnemen.
Daarnaast bespraken Europese leiders structurele opties om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen. Een groep van circa tien landen vroeg aanpassing van het ETS (het Europese emissiehandelssysteem), omdat dat volgens hen te zwaar op de industrie drukt. Zij willen dat de Commissie in juli met een tussentijdse evaluatie komt. Nederland was tegen het versoepelen van ETS; Jetten benadrukte dat klimaatbeleid juist nodig is om op termijn minder afhankelijk te worden van dure fossiele importen.
Ten slotte bleek er onenigheid over een geplande lening van 90 miljard euro aan Oekraïne: eerder overeengekomen in december, maar nu geblokkeerd door de Hongaarse premier Viktor Orbán. Orbán houdt Oekraïne verantwoordelijk voor het niet repareren van een door Rusland beschadigde pijpleiding naar Hongarije. Andere EU-leiders toonden hun frustratie; de voorzitter van de Europese Raad noemde Orbáns houding onaanvaardbaar. In Brussel wordt het veto deels gelinkt aan de Hongaarse verkiezingscampagne van volgende maand, waarin Orbán volgens peilingen onder druk staat.