'Er is geen rechts-extremistische organisatie die azc-rellen aanstuurt,' zegt deze extremisme-expert
In dit artikel:
In Utrecht verzamelden donderdagnacht uiteenlopende actiegroepen onder het motto “vluchtelingen welkom” naar aanleiding van de gewelddadige rellen bij een asielzoekerscentrum in Loosdrecht. Extremisme-expert Nikki Sterkenburg (41), bijzonder hoogleraar onderzoeksjournalistiek aan de VU en consultant nationale veiligheid bij Berenschot, waarschuwt dat die bijeenkomsten geen bewijs zijn voor een strak georganiseerde extreemrechtse beweging, maar wel deel uitmaken van een zorgwekkend maatschappelijk patroon.
Sterkenburg schetst het deelnemersveld als diffuus: omwonenden, mensen van dorpen verderop, relschoppende tieners, losse voetbalhooligans en een paar bekende figuren uit extreemrechtse kringen. Die mix levert soms geweld op, soms vreedzame protesten; het samenspel wordt vooral gevoed door politieke onvrede, falende oplossingen voor maatschappelijke problemen en diepgewortelde racistische houdingen. Zij omschrijft het als een “perfecte storm” waarin frustratie en xenofobie samenkomen, gecombineerd met een normalisering van geweld: na elke uitbarsting groeit het verlangen naar meer confrontatie.
Belangrijke nuance van Sterkenburg is dat aanwezigheid van rechtse slogans of bekende extreemrechtse gezichten niet automatisch duidt op centrale coördinatie of achterkamertjesbestuur. Volgens haar ontbreekt doorgaans de organisatorische slagkracht die je bij een echte beweging zou verwachten; veel deelnemers handelen gefragmenteerd en opportunistisch. Wel wijst ze op een sluipend cultureel verschuiving: het uiten van racistische, antisemitische of misogyne sentimenten brengt tegenwoordig weinig sociale kosten meer met zich mee. Waar in de jaren tachtig en negentig groepen als Centrumpartij of CP86 breed werden afgewezen, lijken zulke houdingen nu vaker getolereerd of zelfs aangemoedigd door de omgeving. Politieke reacties spelen daarbij een rol: veroordelingen van geweld worden soms tegelijk afgezwakt met begrip voor de boosheid van daders, wat normaliserend kan werken.
Sterkenburg verwijst naar onderzoek van Rob Witte om te onderstrepen dat racistische incidenten geen nieuw verschijnsel zijn en dat de overheid in het verleden vaak structurele aandacht heeft vermeden. Ze waarschuwt ook voor media-aandacht die de indruk van georganiseerde coördinatie kan versterken; herhaalde beelden en suggesties van centraal aangestuurd extremisme maken het probleem groter dan gerechtvaardigd is, terwijl de echte uitdaging in de normalisering van haat en agressie ligt.
Wat te doen? Sterkenburg ziet waarde in tegendemonstraties als signaal, maar meent dat sociale druk en persoonlijke aanspreekbaarheid effectiever zijn om gedrag te veranderen. Mensen schakelen eerder bij als kritiek van vertrouwde omgeving komt dan door publieke veroordeling of strafrechtelijke maatregelen. Haar conclusie: de dreiging van rechts-extremisme mag niet worden gebagatelliseerd, maar we moeten tegelijk scherp onderscheiden tussen losse bullebakken en georganiseerde groeperingen, en vooral werken aan het herstel van sociale normen door tegenspraak en betrokkenheid in de directe omgeving.