'Elke schooljongen' zou zijn bloemlezing 'in zijn knapzak' moeten hebben, vond Komrij
In dit artikel:
De schrijver blikt terug op zijn bewondering voor dichter en bloemlezer Gerrit Komrij en op de grote betekenis van diens anthologie De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw. Hij beschrijft hoe hij Komrij vaak in de Universiteitsbibliotheek zag en ooit hoorde zeggen dat hij “enige gedichten” aan het selecteren was — een understatement, want Komrijs gebundelde bloemlezing groeide uit tot een standaardwerk dat in veel boekenkasten belandde en later in uitgebreide herdrukken opnieuw verscheen (onder meer een editie rond 2004 met nog meer gedichten).
Persoonlijke anekdotes verduidelijken Komrijs stijl en invloed: in een Jordaanse café ontmoette de auteur hem en diens vriend Charles, en was hij trots dat Komrij enkele van zijn eigen gedichten in het literaire tijdschrift Maatstaf had opgenomen en hem had aangespoord meer te schrijven. Komrijs oordeel over poëzie — gericht op vakmanschap, smaak en ironische afstand in plaats van zwakke sentimenten — komt terug als drijfveer achter zijn selectie. Voor de auteur is die bloemlezing van onschatbare waarde: een compacte manier om taalgeschiedenis, culturele kennis en literaire techniek over te dragen, en daarom geschikt voor elk schooltype.
De auteur noemt ook met genoegen dat Kamervoorzitter Martin Bosma (PVV) parlementaire vergaderingen opende met een gedicht — volgens hem uit Komrijs bundel — en ziet daarin een teken dat poëzie nog steeds publiekelijk kan opduiken, ook al heeft Komrij zelf ooit relativerend geoordeeld over de verwachtingen van poëzie ten aanzien van politieke verheffing. De bloemlezing doet bovendien recht aan minder bekende dichters die anders in de vergetelheid zouden raken; de auteur waarschuwt tegen het verval van faam.
Tot slot merkt hij op dat Komrij zelf maar één gedicht in zijn eigen bloemlezing plaatste — “De dichter” — een ironische schets van de opwinding en zelfverheffing van een dichter die in de literaire wereld erkenning zoekt. De schrijver vindt dat Komrij veel meer ruimte had verdiend in die bloemlezing en pleit nogmaals voor het brede literaire nut van Komrijs werk: een onmisbaar naslagwerk en een levend instrument om leerlingen voor poëzie te winnen.