Eindelijk in de schijnwerpers: joodse componisten rond de Tweede Wereldoorlog

woensdag, 14 oktober 2026 (00:00) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Overzichten van de Nederlandse muziekgeschiedenis hebben lange tijd nauwelijks aandacht besteed aan joodse componisten uit het interbellum en de naoorlogse periode. De musicoloog Carine Alders en biograaf Claartje Wesselink vullen dat hiaat aan met onderzoek naar deze vergeten musici en met een biografie van componist, muziekcriticus en journalist Paul F. Sanders (1891-1986).

Alders promoveerde in 2025 op een onderzoek naar tachtig joodse componisten die vóór, tijdens of na de Tweede Wereldoorlog in Nederland actief waren. In haar inventarisatie laat zij zien waarom velen buiten beeld bleven. Hun muziek werd niet altijd publiek uitgevoerd of gerecenseerd: dat gold bijvoorbeeld voor radio-opdrachten, synagogemuziek en werken voor amateurs. Joodse musici die na de Kristallnacht uit Duitsland naar Nederland vluchtten, kregen bovendien moeilijk voet aan de grond.

Na de Duitse bezetting in mei 1940 werd het muziekleven doelbewust van joodse invloed ontdaan. Componisten werden uitgesloten van het openbare leven, joodse muziek werd geweerd en vanaf 1942 werden veel musici gedeporteerd en vermoord. Na de bevrijding bleef hun lot grotendeels onbesproken. De aandacht ging vooral uit naar verzet en collaboratie, terwijl de meeste musici tijdens de bezetting noodgedwongen waren blijven werken. Ook naoorlogse muziekhistorische overzichtswerken lieten de verdwenen componisten vrijwel volledig buiten beschouwing.

De Leo Smit Stichting, waarbij Alders betrokken is, heeft werk van onder anderen Leo Smit, Rosy Wertheim en Henriëtte Bosmans opnieuw laten uitvoeren. Muziek van minder bekende componisten, zoals Dick Kattenburg, Hans Lachman, Daniël Belinfante, Hans Krieg en Wilhelm Rettich, is via een internationale database toegankelijk gemaakt. Volgens de bespreking blijft bij Alders echter de vraag onderbelicht of antisemitisme, naast de algemene naoorlogse gerichtheid op de toekomst, een rol speelde bij deze uitsluiting en hoe hoog de artistieke kwaliteit van alle componisten was.

Wesselink richt zich in haar boek op Paul F. Sanders, een van de weinige joodse musici die na de oorlog nadrukkelijk over het lot van zijn vermoorde collega’s schreef. Sanders moest door een reumatische aandoening zijn viool opgeven en werd muziekcriticus. In 1926 richtte hij samen met Willem Pijper het tijdschrift De Muziek op. Later schreef hij voor Het Volk en Het Parool. Tijdens de oorlog dook hij onder, zag hij hoe joodse buurtgenoten werden weggevoerd en hield hij een aangrijpend dagboek bij; een groot deel van zijn familie werd vermoord.

Sanders was socialist, jood en een voorstander van moderne kunst. Al vóór de oorlog waarschuwde hij voor het nazisme en werkte hij mee aan de internationale tentoonstelling De Olympiade Onder Dictatuur, die in 1936 een front tegen de bedreiging van cultuur en vrije meningsuiting wilde vormen. Na de oorlog raakte hij teleurgesteld over het uitblijven van maatschappelijke vernieuwing. Hij vestigde zich uiteindelijk als correspondent van Het Parool in New York, waar hij verslag deed van internationale gebeurtenissen, van de Koude Oorlog en de Cubacrisis tot de burgerrechtenstrijd in de Verenigde Staten.

Wesselink gebruikt Sanders als perspectief op de wereldpolitiek en toont hem als een bevlogen, internationaal gerichte journalist die ondanks zijn idealisme steeds opnieuw met oorlog en onderdrukking werd geconfronteerd. Zijn latere inzicht dat destructieve krachten telkens terugkeren, vormt een sombere maar ontroerende afsluiting van een leven dat in het teken stond van kunst, vrijheid en maatschappelijke betrokkenheid.

BEKIJK OOK:

Vandaag Inside: Johan Derksen schrok tijdens FC Groningen - Ajax: ‘Die kan er helemaal niets van!’