Eindelijk hangt Erwin Olaf in het Stedelijk. Dat het zo lang duurde, is toch niet zo heel vreemd
In dit artikel:
Erwin Olaf (1959–2023) staat centraal in de tentoonstelling Erwin Olaf: Freedom in het Stedelijk Museum Amsterdam, een postume presentatie die zijn loopbaan als maker van esthetisch beheerst maar provocerend beeldwerk opnieuw in kaart brengt. Olaf begon als chroniqueur van het Amsterdamse en Nederlandse leven in de jaren tachtig en negentig: krakers, punks, homo-emancipatie en het uitgaansleven (denk aan clubs als de iT) vormen vroege onderwerpen. Later verschoof zijn werk naar zorgvuldige portretten, gestileerde lichaamsstudies en theatrale, op film en video uitgevoerde scènes; belangrijke series zijn onder meer Dusk Dawn (2009), Keyhole (2011) en Berlin (2012).
Tegelijkertijd verdiende Olaf zijn brood met reclameopdrachten voor grote merken zoals Diesel, Heineken, Lavazza en Calvin Klein. Zijn visuele taal – sterk geënsceneerde, soms schokkende beelden – wordt in het stuk vergelijkbaar gemaakt met de Benetton-campagnes van Oliviero Toscani: het doel was aandacht trekken en ontregelen. Olaf combineerde in beide domeinen dezelfde strakke artdirection en fetishistische rekwisieten, en zag zijn commerciële en autonome werk als wederzijds verrijkend. Critici en museumconservatoren stonden daar echter vaak sceptisch tegenover; commerciële praktijk gold lange tijd als reden om voorzichtig te blijven met institutionele erkenning.
Die terughoudendheid is een van de thema’s rond de tentoonstelling. Hoewel Olaf succes kende—hij won onder meer de Vermeerprijs, portrretteerde leden van het koningshuis en had in 2003 een groots aanvaarde overzichtstentoonstelling in Groningen—bleef het Stedelijk terughoudend totdat na zijn overlijden alsnog een grote presentatie plaatsvond. Conservatoren blijken eerder geneigd tot ongepolijste, rauwere fotografische praktijken (Ed van der Elsken, Nan Goldin, Rineke Dijkstra) en waren mogelijk afgeschrikt door Olaf’s reclamestijl en zijn sterke esthetische controle.
De expositie laat zowel zijn kwaliteiten als de grenzen van zijn radicaliteit zien. Hoogwaardige, technisch briljante werken—zoals Reclining Nude No. 5, de kinderportretten in Keyhole en de Berlijnse serie—tonen zijn vermogen om ongemakkelijke thema’s te behandelen. Tegelijk is die confrontatie vaak geregisseerd en vormvast; het ontbreekt in veel gevallen aan een echt ontregelende, grensverleggende impuls. Latere series verwijzen expliciet naar grote schilderkunst (Rockwell, Friedrich, Böcklin) en voeren het esthetische eerbetoon perfect uit, maar blijven in de ogen van de criticus imitatie zonder overtreffende trap.
Kortom: de Stedelijk-tentoonstelling plaatst Olaf terecht in het museumveld en toont zijn virtuositeit in compositie, styling en scèneopbouw, maar verklaart ook waarom zijn combinatie van commercie en coutureachtige fotografie lange tijd twijfel opriep binnen de kunstwereld.